Gesprekken over Zen I

Nondualiteit: naar de kern van Zen

19 augustus 2017

 

Een menselijk wezen is een deel van het geheel dat we het universum noemen… Het ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens, als iets dat gescheiden is van de rest: dat is een soort optische illusie van het bewustzijn.
– Albert Einstein –

Grenzen? Ik heb er nooit één gezien… Maar ik heb gehoord dat ze bestaan in de geest van sommige mensen.
-Thor Heyerdahl –

 

1. Niet twee.

Wat bedoelt men met nondualiteit of nondualisme?

Nondualiteit en nondualisme betekenen letterlijk : ”niet-tweeheid”; het zijn termen die verwijzen naar het inzicht dat er fundamenteel geen gescheidenheid bestaat. Elke grens die we trekken tussen een verschijnsel, ding, idee of wat dan ook, en de wereld errond, heeft niet de werkelijkheid die we eraan toeschrijven.

Dat betekent dat er zich in het universum niets bevindt dat echt apart staat van de rest. Geen enkel verschijnsel leidt een zelfstandig bestaan los van zijn omgeving, los van de rest van de wereld. De individualiteit van de dingen, hun absolute bestaan, is niet meer dan een gedachte, een denkbeeld.

Heel belangrijk is de niet- gescheidenheid tussen subject en object, anders gezegd tussen bewustzijn en materie, of als je wil: tussen waarnemer en dat wat waargenomen wordt.

Dus is alles één, als ik het goed begrijp?

Zo kan je het stellen, ja. De totaliteit van het bestaan is één gebeuren, één proces. Maar soms is men voorzichtig om het zo te stellen, en wordt gewoon de gescheidenheid ontkend. Op de redenen hiervoor komen we later nog terug.

Maar als alles één is, waarom zien we dan zoveel verschillende dingen?

Het verstandelijke denken, dat een denken in categorieën, in concepten is, bakent stukjes af van die ene werkelijkheid, en benoemt die. Dat ene, van een etiket voorziene stukje lijkt dan een apart bestaan te leiden, een ding-op-zich te zijn, maar dat is een illusie.

Maar een mens is toch wel een individu, dat naar de wereld kijkt, en keuzes maakt, kortom een eigen leven heeft?

Dat is natuurlijk een belangrijk punt. Ik moet je teleurstellen: ook een mens is op geen enkele manier fundamenteel gescheiden van zijn omgeving…

Maar dat komt niet overeen met mijn intuïtie, mijn gezond verstand…

Exact. De uitnodiging bestaat erin, om na te gaan, diep na te gaan, of dat gezonde verstand, zoals je het noemt, misschien niet een conditionering is, die herzien kan worden en vervangen worden door een dieper liggend, en nog veel gezonder verstand.

Wanneer je daar een tijd ernstig mee bezig bent, zal je helder inzien dat dat ik-gevoel dat je zo duidelijk meent te voelen, misschien wel een praktisch nut heeft, maar geen diepe werkelijkheid heeft. Het is een etiket om dit organisme, dit leven te onderscheiden van andere levens, maar het heeft geen fundamentele betekenis, het is niet iets substantieels!

Ik vind het wel een griezelig idee, dat ik geen werkelijk individueel bestaan zou hebben…

Dat begrijp ik, maar dat is omdat je er een concept van maakt, en omdat je misschien veronderstelt dat nondualiteit een soort ideaal van niet-gescheidenheid voorstelt, maar dat is niet het geval. Het beschrijft gewoonweg hoe het nu al functioneert. Nondualiteit zegt niet dat je je schijnbare individuele leven moet opgeven, het stelt alleen vast dat dat in wezen een illusie is.

Je gebruikt dat woord illusie dikwijls, ik denk dat het belangrijk is om dat heel goed te begrijpen…

Dat is waar. Van Dale verklaart illusie als droombeeld, hersenschim. In het Boeddhisme spreken we dikwijls van illusies, we bedoelen daarmee: foute opvattingen die we hebben over ons bestaan. Wanneer ik dus zeg dat ons individuele leven een illusie is, betekent het dat dat individuele leven niet de werkelijkheid heeft die we eraan toeschrijven. Op een zeker niveau is er wel zoiets als een individueel bestaan, ja, maar op een meer fundamenteel, meer werkelijk niveau is dat niet echt. Het is zoals een droom: in je droom zijn de gebeurtenissen die je meemaakt op dat moment, op dat droomniveau “echt”; maar wanneer je wakker wordt zeg je: “het was niet echt, het was maar een droom”. Je kan ook op het niveau van een verhaal spreken, bij voorbeeld wanneer je vraagt aan iemand die een detectivefilm zag: “wie was nu de moordenaar?”. Maar uiteindelijk, op een ander niveau, weet je dat er geen moordenaar is, het is maar een verhaal.

We moeten dus goed beseffen dat het woord “echt” geen absolute betekenis heeft. Iets kan alleen echt zijn op een bepaald niveau. Hetzelfde geld voor “waar”. Is het waar dat Lisa Simpson saxofoon speelt? Op niveau van de TV serie wel natuurlijk. Op niveau van onze werkelijkheid is deze uitspraak niet waar, want daar is Lisa niet echt. Het bestaan is gelaagd! Daar kunnen we niet omheen. En zo zijn er meer en minder diepe waarheden…

De eigenheid die ik als mens heb, de kenmerken, de voorkeuren, de eigenaardigheden…

… die worden door een nondualist helemaal gerespecteerd, precies zoals ze zijn, wees gerust. Immers ook de minder fundamentele waarheden maken deel uit van het bestaan. Hij of zij zal je alleen helpen ze te zien voor wat ze zijn, zodat je je er niet meer aan zal vastklampen, en er geen last meer van zal hebben. Zo word je meer jezelf, uiteindelijk! Alleen is dat zelf niet wat je dacht dat het was…

 

2. Grenzeloos.

Om een beetje te vatten waar het over gaat, kan je jezelf een paar vragen stellen:

Waar komt de materie vandaan die mijn lichaam vormt? Waar was die voor mijn geboorte, waar gaat die naartoe na mijn dood?
Waar komt de energie vandaan die mijn lichaam heeft? Waar gaat die naartoe wanneer ze eruit verdwijnt?
Waar komen de taal en het denken vandaan die ik gebruik?
Waar komen mijn herinneringen vandaan? Waar gaan ze naartoe als ik sterf?
Enzovoort.

En dan kan je je de vraag stellen: is er buiten al deze elementen, die ik onderzocht heb, iets dat mijn “ik” uitmaakt? Met andere woorden, is er een “ik” buiten deze verschijnselen te vinden?
Je zal zien dat je letterlijk op geen enkel vlak van je bestaan gescheiden bent van je onmiddellijke omgeving, en die omgeving is op haar beurt op geen enkele manier gescheiden van het grotere geheel…. De grens die je trekt rond je lichaam (we noemen dat wel eens de huidgrens) is een definitie, die praktisch nut heeft, maar geen wezenlijke grens is. Hetzelfde geldt voor alle andere definities, alle andere grenzen die we rond “mij” kunnen trekken. Ze zijn op hun best zo lek als een vergiet.

Aha! Maar het is toch niet omdat een grens iets doorlaat, dat ze er niet is?

Het is niet dat die grenzen iets doorlaten, het is dat de werkelijkheid gewoon doorloopt, over die grenzen heen! Ik weet niet precies hoeveel landen er momenteel op de wereld zijn, maar onder elke grens loopt de aarde gewoon verder hoor. De atmosfeer ook. Grenzen kunnen verlegd worden, maar dat verandert niets aan de aarde. Landsgrenzen zijn afspraken.

En als ze nu samenvallen met natuurlijke grenzen, zoals een kust of een bergketen?

Ook een “natuurlijke grens” is een menselijk begrip: de aarde loopt door onder zeeën en bergen; en zeeën, bergen en landvlaktes maken allemaal deel uit van dat ene planeetje.
Maar nu zitten we op het niveau van een verstandelijk zelfonderzoek, dat het denken een voorsmaakje kan geven van ongescheidenheid. Dat is niet slecht, want het denken is een belangrijk deel van ons mens-zijn, en als het denken tegenspartelt, kan dat een extra hindernis zijn. Daarom dat sommige grote leraars wanneer zij boeken schrijven voor een groot publiek, deze redenering volgen. Maar denk niet dat dit het uiteindelijke onderricht van de Zen of welke vorm van nondualiteit dan ook is…

Is nondualiteit een filosofie?

Dat hangt er van af, wat je bedoelt met een filosofie. Het is, en dit is echt heel belangrijk, geen theorie, geen voorstelling die we in het denken opbouwen over de werkelijkheid. Het is een beschrijving in woorden van hoe we het bestaan zien, als we in de directe ervaring verblijven, en niet in de virtuele wereld van de gedachten over die ervaring vluchten. Natuurlijk kan je de gedachtegangen over nondualiteit samen een filosofie noemen en die dan gaan vergelijken met andere filosofieën; maar dat interesseert ons niet. Wat ons interesseert, is om te duiken in de directe ervaring, vóór het onderscheid makende denken zijn werk doet. Het gaat om een praktijk. We verwijzen naar die werkelijkheid via woorden (onder andere) en dat noemen we nondualiteit.

Er zullen zeker mensen zijn, die beweren dat, zo gauw je woorden gebruikt, je iets construeert, en zelfs, dat we in ieder geval iets construeren wanneer we iets waarnemen, dus dat het onzinnig is van te spreken van een waarneming voorbij woorden, voorbij het denken…

Wees maar zeker daarvan. Verstandelijk kan je van alles beweren. Je kan ook beweren dat het water van de Noordzee zoet smaakt, of dat het geen smaak heeft, of zuur is. Zo lang je er niet in gezwommen hebt en zelf geproefd hebt, kan je al die standpunten innemen. Je kan er zelfs discussiegroepen over organiseren. Maar iemand die aan de kust woont en elke dag gaat zwemmen, die zal hooguit één minuut naar zo’n discussie blijven luisteren. Dan gaat hij snel een frisse duik nemen. Als die persoon zegt: “Het water van de Noordzee is zout”, is dat geen filosofisch of theoretisch of speculatief standpunt dat hij naar voren brengt. Het is een eenvoudig rapporteren van wat hij ervaart. Zo is de nondualiteit een verslag van wat voor veel mensen een levende werkelijkheid is, de werkelijkheid van elk moment.

Moest ik de zwemmer zijn, ik zou naar die discussiegroep gaan en ze uitnodigen voor een zwempartijtje…

Dat is precies wat zenleraars doen! Maar dikwijls zitten de opvattingen zo diep, dat men niet de moeite neemt om zelf te proeven… en het is waar: het is niet zo eenvoudig als een slokje water drinken. Je moet echt wel tijd nemen, en graven, een weg graven doorheen je vastgeroeste ideeën.

Laat ons een ander beeld gebruiken: vergelijk het met een duiker, die zonder duikerspak een prachtig koraalrif verkent. Vervolgens komt hij boven en beschrijft hij aan iemand, die nog nooit een koraalrif heeft gezien, zijn ervaring. Wanneer hij ter plaatse is, kan hij niet spreken, zelfs niet ademen. Wanneer hij spreekt, ziet hij het rif niet en spreekt hij vanuit een herinnering. Maar de duiker spreekt wel degelijk vanuit een ervaring: hij is niet iemand die een theorie opbouwt over hoe een koraalrif er waarschijnlijk uitziet, en die theorie dan communiceert… in dat geval zou hij gewoon een fantast zijn!

Spreken ze niet soms van monisme? Van het Griekse mono: één?

Dat klopt. Maar zie je: dan lijkt het alsof er een nieuw concept wordt verdedigd: “alles is één” en het waren juist de concepten die de oorzaak waren van deze schijnbare dualiteit! Het woord nondualiteit ontkent gewoon de opdeling, de illusie die het denken toevoegt, en doet geen uitspraken over de verdere aard van de werkelijkheid.

Ook het boeddhistische sunyata (Sanskriet), in het Japans ku, is zo’n woord. Het wordt vertaald als leegte. Leegte van wat? Van elk afzonderlijk bestaan. Zelf verkies ik de vertaling van Kaz Tanahashi: grenzeloosheid. Merk op dat het telkens om een negatie gaat, een negatie van het opdelen, of misschien beter nog: van de realiteit die dat opdelen zou hebben.

Maar grenzeloosheid klinkt aangenamer dan leegte voor mij! Leegte klinkt zo kil…

Helemaal mee eens! Zie je hoe subtiel een woordkeuze kan zijn? Zelfs als woorden op zich al fout zijn, toch kan een bepaalde uitdrukkingswijze, een bepaald woord juister zijn dan een ander… Maar laten we niet vergeten dat het voor een stuk subjectief is, voor anderen is leegte misschien de beste benaming… In het verleden werd het Boeddhisme nog al eens verweten door westerse denkers, nihilistisch te zijn, omdat die boeddhisten stelden dat alles “leegte” was… dat was natuurlijk helemaal naast de kwestie! Of je het nu leegte noemt of grenzeloosheid, het is eerder een bruisende volheid, zou ik zeggen…

Het klinkt toch als een soort filosofie voor mij, ik heb ook de indruk dat ik het ergens wel begrijp…

Ik ga je opnieuw een beetje moeten teleurstellen, vrees ik… Wanneer we het erover hebben met woorden, kan er een zekere vorm van verstandelijk begrip ontstaan, dat dan ongeveer zo gaat: “Ja, ik begrijp het, eigenlijk is alles één, in zekere zin…” . Maar het blijft theorie dan, erger nog: het wordt omgezet in een nieuw concept! Je ervaart het niet. Je bent er niet intiem mee. Je leeft het niet! Daarom is het zo belangrijk, de grenzeloosheid echt te realiseren, zoals we dat noemen,… voorbij elk verstandelijk denken… inzien dat je grenzeloosheid bent!

En dat doe ik door…

Grenzeloosheid te beoefenen! Helder in het moment aanwezig te zijn; de werkelijkheid niet te zien doorheen je denken. In de Zen noemen we dat zazen, maar de Zen heeft geen patent daarop… het is een universeel menselijke praktijk, een universeel menselijk inzicht.

En waarom zou ik dat nu weer doen?

Belangrijke vraag! Waarom? Er zijn veel verschillende antwoorden mogelijk, op veel verschillende niveaus. Een goed antwoord hier en nu is: je kan het doen om meer in overeenstemming te leven met dát wat je werkelijk bent. Leven in illusies is niet gezond, en dat geldt zeker voor illusies over de fundamenten van je bestaan. Dat leidt tot spanningen, problemen, en verdere illusies – kortom tot wat de historische Boeddha dukkha noemde, de onbevredigendheid van het bestaan, lijden. Het ongescheiden bestaan leven is, zoals ze in de Zen zeggen, terugkeren naar de normale toestand, naar onze natuurlijke wijsheid, naar ons aangeboren -maar versluierde- geluk.

Hoe doe ik dat?

Heel eenvoudig. Ga in de leer bij iemand die je hierin kan begeleiden en bijstaan. Het speelt geen rol in welke precieze traditie die zich bevindt, maar het is wel aan te raden dat die zich in een traditie bevindt.

Waarom is dat nodig? Kan iemand dat inzicht niet zelf gevonden hebben, als het toch zo universeel is?

Het gebeurt zeker, dat iemand volledig zelfstandig hiertoe komt – maar niet zo vaak.
Het probleem is eerder dat iemand die zich in die situatie bevindt, geen omkadering heeft van hulpmiddelen, uitdrukkingswijzen en pedagogie om het over te brengen. Het is alsof je opnieuw van nul moet beginnen, opnieuw het vuur en het wiel moet uitvinden… Daarom is het belangrijk, de waarde van de traditie in te zien – zonder er daarom slaafs aan vast te hangen.

 

3. De ene geest.

Je zei dat de niet-gescheidenheid van subject en object, waarnemer en waargenomene de belangrijkste is, kan je daar wat meer over zeggen?

Zeker, hier zit de belangrijkste knoop die te ontwarren is. Het is eigenlijk geen knoop, want hij is puur virtueel – maar toch lijkt hij dikwijls heel echt.

Het beeld dat ik tevoren schetste van de onderlinge afhankelijkheid, dus totale niet-gescheidenheid van alle verschijnselen, vertoont nog een ernstig tekort. We kunnen gemakkelijk de wereld zien als een verzameling objecten, of als materie/ energie, want sinds Einstein weten we dat beide verschillende verschijningsvormen zijn van hetzelfde. Materie is gestolde, of in cirkeltjes draaiende energie, en energie is bevrijde materie. Het spreekt vanzelf dat dat maar heel beperkte pedagogische metafoortjes zijn om de aard van de werkelijkheid, die we onmogelijk kunnen bevatten met ons beperkte verstand, voor te stellen.

Wat deze versie van de feiten echter buiten beschouwing laat, is het bewustzijn. De wetenschappen laten het bewustzijn zelfs vandaag nog grotendeels buiten beschouwing, omdat ze er geen enkele rationele verklaring voor kunnen vinden. Sommige wetenschappers redeneren het weg als een “probleem dat we nog wel eens zullen oplossen”; anderen verklaren het als een soort “illusie” die ontstaat wanneer er “voldoende complexiteit” aanwezig is.

Waar we mee zitten, is de eenvoudige vaststelling, dat er materie/energie is aan de ene kant, en bewustzijn van die materie/energie aan de andere kant. Anders zou de wereld niet beleefd worden, zou het een puur mechanisch heelal zijn, dat zijn logica volgt van oorzaak en gevolg, maar niet wordt waargenomen. Er zou geen subject, geen waarnemer, geen observator, geen belever zijn om het te ervaren. Het zou op hetzelfde neerkomen, als dat er niets was.

Maar dat is dus blijkbaar niet het geval. De kleinste slok thee die wordt gedronken – ik stel het nu bewust heel onpersoonlijk voor, of beter: het wordt nu bewust heel onpersoonlijk voorgesteld – de kortste ademhaling die gebeurt, elke aanraking, elke gedachte, emotie, elk geluid, lichtflits, enzovoort, wordt ERVAREN. Het bewustzijn is niet zomaar iets dat gemakkelijk kan weggeredeneerd worden (tenzij je volledig in je rationele denken leeft, zo zijn er inderdaad veel mensen).
Dat betekent – en het vraagt misschien jaren van open observatie (wat we in onze traditie zenbeoefening noemen, en het zijn trouwens bijzonder goed bestede jaren) om dat diep, diep, diep te beseffen met lichaam en geest, dat het bewustzijn cruciaal is, om niet te zeggen is wat we zijn.

Maar je zei toch dat er geen gescheidenheid is? Ook niet tussen bewustzijn en de inhoud van dat bewustzijn?

Helemaal juist. Wat van het grootste belang is, is het ontmaskeren van de idee, dat bewustzijn en dat wat in het bewustzijn verschijnt, gescheiden zijn. Zelfs puur rationeel is dat een problematische visie, want als bewustzijn en zijn objecten twee radicaal gescheiden verschijnselen zijn, hoe kunnen ze dan in wisselwerking treden?

Maar je kan het nog veel directer ervaren, je ervaart het eigenlijk de hele tijd door. Wanneer je een geluid hoort, bijvoorbeeld van een bel, wat gebeurt er dan?

Er is een geluid, en ik ben er – en uit de wisselwerking van die twee ontstaat de ervaring van het horen van geluid…

Mooi gezegd. Dus er zijn op dat moment drie verschijnselen? Een geluid op zich, een ik op zich, en als resultaat daarvan een gewaarwording van geluid?

Ja…

Je moet het zelf onderzoeken, maar ik kan je alvast verklappen dat mensen die enige tijd aandachtig in alle rust dat proces van het horen (of zien…) hebben geobserveerd, allemaal, tot welke traditie ze ook behoren, tot de conclusie komen dat er eerst “biiing” is, vervolgens komen dan de gedachten op dat er daarbuiten een geluid is, en hierbinnen een “ik”, een “waarnemer”. Deze gedachten zijn, op het moment dat ze verschijnen, even direct aanwezig als de “biiing”. Samen vormen deze drie elementen het gevoel van “ik ben een waarnemer hier die dat geluid daar hoort”. Als je dit doorhebt, als dit écht doordringt, zal je leven nooit meer hetzelfde zijn.

Dus?

Opnieuw een poging om het onzegbare met woorden te zeggen: je bént “biiing”, er is in wezen géén hoorder hier en een geluid daar, er is enkel “biiing”, totaal ongescheiden. En vervolgens is er, eveneens totaal ongescheiden, de gedachte “daar is een geluid” en de gedachte “ik hoor dat”. Ook die gedachten bén je, zonder enige gescheidenheid.

Het is geen theorie?

Nee, het is een ervaring; één die er altijd al is, de hele tijd door. Maar zelfs wanneer we zeggen “ervaring” is dat al mis, want “ervaring” suggereert dat er iets is dat ervaren wordt, en iemand die ervaart. Daarom spreekt men in de Zen van “De Ene Geest”.

Ik ben de ene geest?

Dan lijkt het alsof er ergens een jij is, en een ene geest, en dat die dan “elkaar zijn”. Zie je hoe de taal intrinsiek dualistisch is?

Wat moet ik dan zeggen… “Er is zijn”?

Met aan de ene kant zijn, en aan de andere kant is?

“Zijn”?

Zo gauw je “zijn” lanceert als begrip, lijkt het zich te verhouden tot “niet-zijn”…

Ik begrijp nu waarom ze in de Zen dikwijls zwijgen, denk ik.

Misschien dat we dat nu ook even kunnen doen…

 

4. Alles én niets.

Toch heb ik nog een vraag… Je sprak daarjuist van de eenheid tussen waarnemer en waargenomene, tussen bewustzijn en zijn objecten… maar wanneer ik ga zitten, en in de ervaring ga, lijkt het allemaal veel complexer en verwarrender…

Het probleem is in wezen het volgende. Dualistisch gezien, neemt het bewustzijn allerlei verschijnselen waar. Dat is een eerste dualiteit: bewustzijn/verschijnselen, met andere woorden: waarnemer/waargenomene. Deze waarnemer is dus geen verschijnsel, maar, als je wil, puur bewustzijn. Bekijk het als een helder, dimensieloos oog dat de verschijnselen ziet, maar zelf geen verschijnsel is. Of als een lege ruimte waarin allerlei verschijnselen zich afspelen – maar de ruimte is zelf geen verschijnsel.

Nu, onder die waargenomen verschijnselen zijn er ook gedachten. Deze gedachten maken uiteraard een rationeel onderscheid tussen verschijnselen, dat is wat gedachten nu eenmaal doen. Onder andere maken ze onderscheid tussen die verschijnselen, die als “ik” worden bestempeld, en andere die als “niet-ik” dus als “buiten/omgeving/wereld” worden bestempeld. Dat is een tweede dualiteit, een tweede laag van illusie…

Snap je? Eerst lijkt er een grens te bestaan tussen bewustzijn en waargenomene, dan lijkt er een grens te zijn tussen verschijnselen onderling.

Met dit tweede niveau van dualiteit is de illusie ontstaan van een apart “ik”, dat naar een “wereld” kijkt. Dat “ik” is dus geen “zuiver bewustzijn” maar een verzameling verschijnselen (lichaam, emoties, gedachten, herinneringen, verlangens, beslissingen), dat als “ik” wordt bestempeld. Er is identificatie met een groepje verschijnselen. De illusie ontstaat dat het dit groepje verschijnselen is, dat naar de wereld kijkt. Maar het is het bewustzijn dat kijkt, niet dat groepje verschijnselen. Dat groepje verschijnselen hoort zelf onder het waargenomene!

Alles wat het denken op een bepaald moment als “ik” beschouwt, is wat we op dat moment geloven te zijn. Dat kan gaan van het lichaam, over gedachten, emoties, herinneringen, verlangens, beslissingen tot een ingebeelde “denker” van de gedachten, “voeler” van de gevoelens, “maker” van de beslissingen…

Dat boeltje van identificaties, zo lijkt het dan, is ons “ik” dat naar buiten kijkt, handelt enzovoort.

Kan je dat verduidelijken?

Denk aan een personage in een film, dat een huis ziet. Is het het personage dat het huis ziet? Natuurlijk niet, het is de toeschouwer die het huis én het personage ziet. Op dezelfde manier ziet het bewustzijn de persoon én wat die persoon “waarneemt”.

Of: stel je een bewakingscamera voor, en een veiligheidsagent die in een kamer naar de beelden ziet. Is het de camera die ziet? Natuurlijk niet, het is de persoon achter het beeldscherm die ziet, en die eventueel ook de camera ziet.

Maar dat zijn metaforen waarin het bewustzijn toch weer persoonlijk is uiteindelijk…

Dat heb je goed gezien. Zoals het niet de camera is die ziet, maar eerder de veiligheidsagent, is het op zijn beurt niet de veiligheidsagent als persoon die ziet, maar bewustzijn, dat onpersoonlijk is.

Dus de indruk ontstaat dat “ik” naar de wereld kijk, maar “ik” is ook gewoonweg een hoopje verschijnselen die worden waargenomen?

Juist: wat waarneemt is de waarnemer zou ik dan zeggen. Dat is nog altijd een beperkte, dualistische stellingname, maar het is al veel beter dan het secundaire dualisme dat zich ent op dat primaire.
Dat is de reden dat verschillende tradities je eerst begeleiden in een via negativa, een weg van zelfonderzoek, waarbij je tot de ontdekking komt dat je al die dingen, waarvan je dacht dat je ze was, helemaal niet bent. Het is als het afpellen van een ui.

Klinkt ingewikkeld…

Eigenlijk is het heel eenvoudig: stel je een zandbak voor, waarvan het oppervlak helemaal egaal is gemaakt. Het zand is het bewustzijn. Op het oppervlak ontstaan er – om welke reden dan ook – oneffenheden, patronen, putjes, lijntjes: dat zijn de verschijnselen. Deze verschijnselen zijn zand; het zand is de verschijnselen. Toch maken we onderscheid tussen zand en de patronen die het vormt: dat is de eerste dualiteit.

Eén van die verschijnselen is een cirkel die rond een aantal andere patronen loopt, en deze zo schijnbaar afscheidt van de patronen daarbuiten. Die cirkel is een gedachte, de definitie van “ik”. Alles daarbinnen is wat er als “ik” wordt beschouwd, alles daarbuiten is wat er als “niet-ik” wordt beschouwd. Dat is de tweede dualiteit.

De cirkel, de scheiding tussen “ik” en de “wereld” is enkel een gedachte. Door dat in te zien, niet theoretisch natuurlijk, maar er echt doorheen te kijken, de truc te doorzien als het ware, kan de dualiteit tussen “ik” en “wereld” wegvallen. Dat is, voorzichtig uitgedrukt, zeer bevrijdend. Als je het zo in woorden uitdrukt lijkt het iets heel speciaals, maar het is gewoon een landen in totale nuchterheid.

Maar hoe kan je dat doorzien?

Zoals ik al vermeldde, wat er in vele tradities gebeurt, is het begeleiden van een geleidelijke desidentificatie van al die dingen binnen het cirkeltje. In zazen bijvoorbeeld, zie je helder dat alles wat je ooit dacht te zijn, gewoon verschijnselen zijn die opkomen en verdwijnen in het bewustzijn. Daarmee verhuizen die van binnen, naar buiten het cirkeltje. Op de duur is het cirkeltje leeg, en zijn er geen verschijnselen meer waarmee identificatie optreedt – beter gezegd, er is nog wel een idee van “op een bepaald, relatief niveau ben ik die en die persoon”, maar er is een diep besef dat dat niet is wat je uiteindelijk BENT.

Wat gebeurt er dan met die cirkel?

Je zou kunnen zeggen dat er binnen de cirkel dan enkel nog egaal zand ligt: puur bewustzijn, “de waarnemer”, je kan ook zeggen dat het een dimensieloos punt is geworden, nog altijd op het zand, het lijkt een punt van puur bewustzijn dat zich bewust is van alles, zonder onderscheid, op een niet-persoonlijke manier. Immers, alle persoonlijke kenmerken die er leken aan vast te hangen werden ontmaskerd als verschijnselen. Er blijft enkel het primaire dualisme over.

Op dat moment is er, als laatste aanknopingspunt voor het zelfgevoel een soort van identificatie met het bewustzijn. Het bewustzijn is niet iets, is geen verschijnsel, dus je zou dan kunnen zeggen: ik ben niet iets, ik ben niets. Het is een gevoel van totale onbetrokkenheid, alles gebeurt vanzelf, en alles wat “ik” doe, of beter gezegd wat het allerlaatste overblijfsel van een virtueel “ik” doet, is onbewogen toeschouwer zijn.

En dan?

Deze situatie is niet stabiel. Het punt van bewustzijn stort in, wanneer duidelijk wordt – vraag me niet aan wie of op welke manier- dat deze laatste dualiteit eveneens een illusie is. De verschijnselen zijn niet gescheiden van het bewustzijn, het zijn geen twee dingen. Op dat moment stort de laatste dualiteit in, en als er dan nog woorden volgen, kunnen die zijn “ik ben alles”.

Maar vergis je niet: “ik” betekende oorspronkelijk een deel van het geheel, gescheiden van de rest door niets meer dan een gedachte. Zoiets is er niet meer op dat moment, tenzij gezien als een personage, een relatief verschijnsel, dat zijn rol heeft te vervullen. Dus de “ik” in “ik ben niets” of “ik ben alles” is niet meer te vergelijken met het voormalige ik- gevoel. Vanuit dat oude ik-gevoel gesproken, zouden deze uitspraken waanzin zijn, een uiting van zelfverloochening of megalomanie. Los van het virtuele ik echter, zijn ze een verwoording van totale openheid en nuchterheid.

Je sprak daarstraks van het bewustzijn als een open ruimte waarin van alles zich afspeelt…

Ja, dat is een metafoor die in de Zen ook veel wordt gebruikt. Als je vertrekt van het gevoel “ik ben dit lichaam, deze gedachten, enzovoort” kan je door heldere observatie (zazen) zien dat je die dingen niet bent, maar dat je ze waarneemt. Wat je werkelijk bent is dus iets erbuiten. Het lijkt alsof je je bewust wordt van een ruimte omheen die dingen, en dat dat is wat je bent. Zo wordt er steeds meer ruimte ontdekt rond alle verschijnselen die je dacht te zijn, en het is in die ruimte dat die verschijnselen zich bevinden, de ruimte van het bewustzijn. Zo houdt de identificatie met verschijnselen op (tweede dualisme) tot uiteindelijk ook duidelijk wordt dat de ruimte en de verschijnselen erbinnen niet gescheiden zijn.

Dat klinkt als moderne fysica: ruimte, materie, energie die allemaal één veld zijn in wezen..

Juist. Hier komen we zeker nog op terug in een later gesprek!

Is deze weg van desidentificatie de enige manier?

In de Soto Zen beoefenen we zazen, objectloze helderheid, die alles wat opduikt van moment tot moment belicht, zonder doel of programma. Dogen spreekt in zijn Fukanzazengi van een stapje achteruit zetten. We laten alles gewoon zijn, zonder in te grijpen. Je kunt dat bekijken als de positie van de waarnemer innemen: we identificeren ons niet langer met de handelende persoon. Maar zelfs de “waarnemer” wordt in zazen overstegen – er wordt aan geen enkel perspectief vastgehouden. Alle concepten worden losgelaten, niet in een of andere volgorde, ze worden gewoon allemaal ondergraven. De heldere aanwezigheid hier en nu lost uiteindelijk alle knopen op. Je kan dus zeggen dat zazen niet stapsgewijs is omdat er geen plan achter zit: een programma van desidentificatie volgen zou op zich al een hele reeks van concepten toevoegen. Daarom verblijven we gewoon in zijn. Dat maakt zazen zo sterk. We zitten direct in onze ware natuur, zelfs als je dat in het begin niet door hebt.

Kan je nergens blijven aan vasthangen, ik denk nu aan een blinde vlek of zo, een identificatie die je niet ziet, en die niet oplost?

Zeker, daarom is voortdurende, deskundige begeleiding absoluut noodzakelijk. En alhoewel ik in ons gesprek natuurlijk sterk de beperkingen van het rationele denken en de taal heb benadrukt: op een verstandelijke manier goed ingelicht zijn is een grote hulp. Onze gesprekken zijn zeker niet voor niets!

 

5. Over golven, aardbeien en panters.

Ik heb gehoord dat je dikwijls over de golven van de zee spreekt in verband met nondualiteit, kan je dat eens uitleggen?

Stel je een oceaan voor. Er is één oceaan in onze metafoor. Eén watermassa. Op en in die watermassa zijn er echter allerlei stromingen en bewegingen te vinden: golven. Als je aan het strand zit, doet de ene oceaan zich voor als een ontelbare hoeveelheid golven, die allemaal hun eigen leven lijken te lijden. Als je één golf er uit pikt en volgt met je ogen, dan lijkt die te ontstaan, te groeien, naar het oost-westen te bewegen, enzovoort, om uiteindelijk weer te verdwijnen. Maar tegelijkertijd is het voor iedereen duidelijk, dat er met het ontstaan, enzovoort van die golf energie noch water is bijgekomen, en dat er met het verdwijnen van die golf energie noch water verdwijnt.

Alle golven zijn onderling afhankelijk (de wind mag even niet meespelen in onze metafoor): ze vormen één dans van bewegende en botsende watermoleculen, waarbij bewegingsenergie van het ene op het andere waterdeeltje wordt overgedragen.

Nu kan je in die ene dans een fragment aanduiden, en dat een golf noemen. Het is dan alsof je een kadertje er omheen trekt. Maar het aparte bestaan van die zogenaamde golf is een illusie, er is niets anders dan het geheel. Dat kan je je realiseren door het leven van zo’n golf te volgen. Ze ontstaat niet uit het niets, maar ze is gewoon de verderzetting van een energiestoot, van een “andere golf” dus. Wanneer ze verdwijnt, betekent dat gewoon dat ze haar energie doorgeeft aan een “derde golf”, misschien wordt de bewegingsenergie wel verdeeld over de hele oceaan, maar noch bij haar geboorte, noch bij haar dood komt er iets bij of verdwijnt er iets uit de oceaan. Je zal nooit een “begin” vinden van je golf, en nooit een “einde”: noch in ruimte noch in tijd zal je ooit een concrete begrenzing vinden. Elke begrenzing in ruimte of tijd is immers maar een keuze die je maakt, een definitie die je opstelt: “dat is voor mij deze golf”.

Dat lijkt me begrijpelijk… maar de echte wereld is nog iets anders dan de golven op de oceaan…

Dat lijkt zo omdat de gewoonte, om via de taal de werkelijkheid op te delen in aparte verschijnselen, zo diepgeworteld is. Als je de tijd neemt om je alledaagse werkelijkheid helder te observeren, zal je inzien, niet alleen verstandelijk maar vooral op een het-verstand-overstijgende manier, dat elke grens tussen een zogenaamd ding en zijn omgeving in wezen niet reëel is. Maar het is vooral belangrijk dit zelf te onderzoeken. Pas hierbij op met het verstandelijke analyseren, want alhoewel je dat wel een eind op weg kan helpen, zal het je ook doen vastlopen: het verstand gebruikt nu eenmaal juist concepten, die het ene geheel in stukjes delen – lijken te delen, beter gezegd.

Wanneer je de gewoonte kweekt om niet langer voortdurend doorheen je denken naar je ervaring van elk moment te kijken, maar de levende realiteit van dit moment te observeren, zal je zien hoe je waarneming anders wordt. Het is je ontdoen van de “gekleurde brillenglazen van de denkende geest”, zoals meester Kodo Sawaki het noemde. Het is dan dat het raster, dat je over de directe ervaring legde, slechts virtueel blijkt te zijn.

Maar bedoel je dan dat elke begrenzing onecht is? Ik ben toch ik, en jij bent jij. En onder is onder, boven is boven, …

Doe het gewoon. Stel je steeds opnieuw open voor wat er simpelweg IS dit moment. In Zen noemen we dat zazen: het laten vallen van het onderscheidende denken, en helemaal wakker zijn. Maar het is een ervaring van écht wakker zijn, die in heel veel tradities wordt beschreven en vooral beoefend.
Vat het niet met je verstand, het is niet te vatten. Als er echt loslaten is, staat het voor je neus.

Maar er zijn toch verschillen?

Een aardbei verschilt van een panter, een panter van een ademhaling, een ademhaling van een salontafeltje… Natuurlijk. Maar dan bevinden we ons in de wereld die opgedeeld is in “dingen”, en eens het verstand de wereld heeft opgedeeld in “dingen” ziet het natuurlijk het verschil ertussen. Waar het om gaat is dat die “dingen” van jou op geen enkele manier werkelijk van hun omgeving, van de rest van het bestaan gescheiden zijn. Denk aan de ene oceaan. Je maakt foto’s van verschillende golven. Dan ga je die foto’s vergelijken en je stelt vast dat die zogenaamde individuele golven verschillend zijn.

Als ik in de wildernis rondloop, is het verschil tussen een aardbei en een panter belangrijk en reëel, toch?

Zeker! Voor het schijnbaar afgescheiden verschijnsel dat daar rondloopt wel. Maar gezien vanuit de totaliteit van het gebeuren, zal er niets verloren gaan of ontstaan, welke van de twee je ook tegenkomt. Maar natuurlijk heb je een voorkeur voor de aardbei – daar komen we later op terug.

Ik heb het gevoel dat ik ergens iets mis…

Je zal nog zien in welke mate je tot nu toe in je concepten over het bestaan hebt geleefd, in plaats van in de directe ervaring.

Het lijkt wel alsof, wanneer alle begrenzingen geen realiteit hebben, de wereld een soort van vormeloze massa is?

Nee, dat is een reactie die mensen wel meer hebben, maar het is een idee dat je toevoegt. Alles blijft precies zoals het was. Ik heb nog altijd honger en dorst, ik doe nog altijd wat ik tevoren deed, heb nog altijd liever de aardbei dan de panter, enzovoort. Maar in plaats van het bestaan te beleven als een verzameling dingen die allerlei bewegingen maken en verschillende evoluties kennen, wordt het beleefd als één proces; niet door mij beleefd – want de illusie van ik als een afgescheiden substantieel verschijnsel, of als de auteur van handelingen en/of slachtoffer van omstandigheden, lost op in de realisatie dat er één proces is. Een proces dat gewoon gebeurt.

Maar je neemt toch beslissingen?

Beslissingen vormen zich, op basis van informatie en uitgangspunten, in volledige samenhang met al de rest, ja. Eventueel ontstaat er een gevoel van “ik heb dat beslist”, maar ook dat komt voort uit omstandigheden en ook dat heeft zijn gevolgen, en dat is allemaal één stroom, één geheel.
Bekijk het zo: is er een wezenlijk “ik” dat een beslissing neemt? Of wordt er een beslissing genomen, en noemen we dat gebeuren daarna “ik” – omdat het denken de definitie lanceert dat dat gebeuren “ik” is?

Aha! Maar ik denk dat dan toch?

Idem: is het zo dat er een wezenlijk, apart ik bestaat, dat een gedachte voortbrengt? Als er helder kijken is (ik vermijd met opzet te zeggen “als je helder kijkt) dan is er zien dat er een gedachte wordt voortgebracht, als respons op omstandigheden en/of andere gedachten. En er is de gedachte die dat gebeuren “ik” noemt. Er is de gedachte dat er een “ik” is dat de auteur is van de vorige gedachte.

Ik begrijp niet hoe…

Zoals ik al zei, je zal het nooit begrijpen. Wat zich kan voordoen – en ik hoop van harte dat dat zal gebeuren – is dat je gaat zitten, op je ademhaling let, aandacht hebt voor de stroom van gewaarwordingen in lichaam en geest, en niet langer doorheen het denken kijkt naar het bestaan. Dan zal je zien dat het altijd zo is geweest. Dat is de vaststelling van ontelbare mensen uit ontelbare culturen en tradities over de hele wereld geweest.

Wat is die vaststelling…?

Die kan ik niet in woorden vatten, maar ik ga het toch doen: het is de vaststelling dat wanneer je ophoudt met je denken de levende ervaring in stukjes te delen, die ervaring één ongescheiden geheel is. Zo simpel is het. Maar hecht je niet aan mijn woorden. Het zijn maar woorden.

Besef ondertussen goed, dat ook “gescheiden” en “ongescheiden”, “veel” en “één” verstandelijke begrippen zijn! Dus hecht je ook hier niet aan de woorden, die alleen maar een hulpmiddel zijn om bepaalde illusies te doorprikken. Zoals ze in de Zen zeggen: “Hecht je niet aan de vinger, die naar de maan wijst!” Dat neemt niet weg dat er wel degelijk iets is als een niet-door-denken-versluierde beleving.

Daarom zijn veel mensen het er over eens dat zazen – of open gewaarzijn als je wil – de basis is van heel wat religies.

 

6. Een regenboog.

Als nondualiteit de basis is van zoveel religies, waarom zijn die dan zo verschillend?

Omdat, eens de ervaring wordt geformuleerd, die wordt omgezet in concepten. Op dat moment heb je dus een rationalisatie van iets dat NIET IN WOORDEN UIT TE DRUKKEN IS. Niet omdat het zo geheimzinnig is of bovenwerelds, maar omdat woorden en denken zo beperkt zijn. Bovendien: bij dit omzetten gebruikt men natuurlijk de begrippen van zijn cultuur, van zijn voorgeschiedenis. Een christen zal zeggen dat hij God heeft gezien, of één geworden is met God; een boeddhist die geen godsbegrip heeft, zal spreken over de leegte of ongescheidenheid of nirvana, iemand van de Advaita Vedanta traditie zal dan weer spreken van rusten in een onpersoonlijke zijnsgrond, enzovoort.

Wat ik wel een mooie metafoor vindt hiervoor: het is alsof het witte licht van de ongescheidenheid wordt gebroken door het prisma van het denken, en zo ontstaat er, vanuit dezelfde bron, een waaier aan kleuren… alleen is het spijtig dat men juist door die regenboog aan verwoordingen zo dikwijls uit het oog verliest, dat het in wezen over hetzelfde gaat… het is echt wel een Babelse spraakverwarring!

Nu je er toch over begint: hoe zit het met het Christendom?

Goede vraag! In het Christendom, evenals in het Jodendom, wordt God in het algemeen gezien als een wezen, dat duidelijk van mij is gescheiden. Het officiële discours is dualisme! De niet-gescheidenheid van God beschouwt men dan als een hoogmoedige ketterij. Nochtans kan je heel wat fragmenten van het Oude Testament heel zinvol op een nonduale manier interpreteren. In het scheppingsverhaal vind je heel nadrukkelijk hoe de wereld zoals we die kennen, zich manifesteert door het ontstaan van een hele reeks dualiteiten: licht en donker, dag en nacht, hemel en aarde, water en land… Dan is er de verdrijving van Adam en Eva uit het aards paradijs (van ongescheidenheid), naar de wereld zoals we die kennen: die van het onderscheid. Ze hadden immers gegeten van de appel van de boom van kennis van goed en kwaad (dus ze waren in de dualiteit gegaan). Verder in het Oude Testament zegt God: “Ik Ben Die Is” (Exodus 3,14, Willibrordvertaling 1995) – een uitspraak die heel erg lijkt op de fameuze nonduale statements die we in de Upanishaden vinden (zie verder). Zie je? Hierop komen we in een latere tekst zeker terug.

Ja maar, het wordt toch dikwijls heel dualistisch verwoord, het is toch God die die dualiteiten schept, enzovoort.

Juist. Maar vergeet niet dat de ervaring van ongescheidenheid zo gauw ze geformuleerd wordt met woorden die per definitie dualistisch zijn, al een dualistisch kleurtje krijgt. Zeker als je iets wilde overbrengen aan het gewone ongeletterde volk anno 500 voor Christus, was het waarschijnlijk niet mogelijk met nondualistische subtiliteiten af te komen. Voor een groot stuk waren ze bezig, meen ik, te proberen het veelgodendom te bestrijden ten voordele van de idee van één God. Dat is al geen slechte stap in de richting van nondualisme zou ik zeggen… Maar ik wil zeker niet beweren dat de auteurs van het Oude Testament allemaal verlichte nondualisten waren.

En Christus?

Het leven en onderricht van Christus – tenminste, wat we ervan weten – kan je zeker op een nonduale manier lezen. “Het koninkrijk van God is in ons” (Lukas 17.21); “Het koninkrijk van de Vader is over de aarde uitgebreid en de mensen zien het niet” (Thomas 113). “Wanneer jullie de twee één gemaakt hebben en wanneer jullie het binnenste maken als het buitenste en het buitenste als het binnenste en het bovenste als het onderste en wanneer jullie het mannelijke en het vrouwelijke tot één enkele maken zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn en het vrouwelijke niet vrouwelijk… dan zullen jullie het koninkrijk binnengaan” (Thomas 22). Aangezien de christelijke Kerk zich afzette tegen het pantheïsme, dat in alle verschijnselen God zag, en het nondualisme daar bij scheen aan te sluiten, was de Kerk niet geneigd nondualisme te omarmen.

Maar toch was er iemand zoals Meister Eckhart (1260 – 1328), die verder keek dan de onderrichtingen die voor het grote publiek bedoeld waren, de blik naar binnen richtte, én over zijn bevindingen durfde spreken. Hij kwam tot een heldere, doorgedreven nondualiteit. “Ik zie God met hetzelfde oog als waarmee God mij ziet” schreef Eckhart onder andere. “Veel eenvoudige mensen denken, dat ze God moeten zien als was Hij daar en waren zij hier. Dat is niet juist. God en ik zijn één.” Een diepgaande studie van Meister Eckharts werk levert een schat op aan diepgaand nondualistisch onderricht. “Wanneer je jezelf ook maar even vergeet, dan wordt je alles gegeven” dat laatste staat wel heel dicht bij Dogen’s beroemde zin uit de Genjo Koan: “Je zelf vergeten is verwezenlijkt worden door de ontelbare verschijnselen”. Lees deze zin niet als een oppervlakkig aansporen tot zelfloosheid in de zin van niet-egoïstisch handelen – alhoewel deze interpretatie zeker waardevol is natuurlijk, en deze moraal voortkomt uit de nonduale realisatie. Nee, het gaat om het beseffen dat er geen zelf is dat een apart bestaan leidt…

Aha! Geen zelf! Komen we nu bij het Boeddhisme?

Eén van de belangrijkste begrippen die de historische Boeddha lanceerde, was anatman. Atman is Sanskriet voor “ziel, essentie, kern” – ons woord adem is ervan afgeleid. Anatman betekent dus “geen ziel, geen essentie, geen kern”. Daarmee ging hij in tegen de heersende opvatting – in het Indië, 5 eeuwen voor Christus – dat ieder mens een vaste, onsterfelijke ziel had, die naar verlossing streefde. Boeddha ontkende het bestaan van zo’n ziel. Hij vergeleek de mens met een wagen, die wielen heeft, een as, enzovoort – maar geen “wagen-essentie”: er is geen wagen, los van de onderdelen… Op dezelfde manier heeft de mens geen fundamenteel apart bestaan, hij bestaat enkel in wisselwerking met de omgeving, totaal ongescheiden. Waar komt dan toch dat gevoel vandaan, dat er, los van de samenstellende delen, zoiets is als een “wagen” ? Dat is de betovering van de taal, die op een constructie van wielen, as, frame enzovoort de naam, het etiket “wagen” kleeft; zodat er de illusie ontstaat dat er echt op een absoluut niveau zoiets is als een wagen, terwijl er enkel op een praktisch niveau een wagen is, waar je mee kan rijden. Hetzelfde geldt dus voor de mens en zijn ik-gevoel: het is virtueel.

In het latere Boeddhisme, meer bepaald in de verruimingsbeweging van het Mahayana (waartoe ook de Zen en het Tibetaans Boeddhisme behoren), werd dit inzicht doorgetrokken naar alle dingen: geen enkel “ding” heeft een kern, een apart bestaan. Alles bestaat enkel in totale onderlinge afhankelijkheid. De illusie van vastigheid, van een wezenlijke, aparte identiteit komt voort uit het denken, dat met behulp van de taal fragmenten uit het geheel schijnbaar isoleert en van een etiket voorziet. We nemen vervolgens dat etiket voor echt, en denken dat het zogenaamde object een wezenlijk apart bestaan heeft. De grote leraar Nagarjuna, die leefde rond 200, was een expert in het doorprikken van illusies over aparte bestaansvormen; met hem werd het begrip sunyata (Sanskriet: leegte, ook wel vertaald als grenzeloosheid), dat stond voor de totale onderlinge afhankelijkheid van alle “dingen” een centraal begrip. “Maar maak daar nu ook weer geen concept van”, zei hij “want dan ben je reddeloos verloren.” Ook de fameuze Hartsoetra, die een samenvatting is van langere teksten, is een schitterende verwoording van diep nonduaal inzicht. Zelfs de meest gekoesterde fundamenten van het Boeddhisme, zoals de “Vier Edele Waarheden” hebben fundamenteel gezien, aldus de Hartsoetra, geen enkele zelfstandige realiteit…

Een uiterst belangrijk punt van het Mahayana onderricht, dat ook expliciet wordt gesteld in de Hartsoetra (daarom is die waarschijnlijk zo’n iconische tekst geworden): het realiseren van de ongescheidenheid gaat samen met het ontwikkelen van mededogen. Het is absoluut niet zo dat, wanneer je beseft dat je echt vrij bent, je je dan lekker goed gaat liggen voelen in je bedje, en de andere mensen hun plan laat trekken. Hoe authentieker je realisatie, des te groter je engagement naar de anderen toe, om hen te laten delen in die bevrijding. Zelfs nu zijn er soms mensen die denken, dat nondualiteit en Zen te maken hebben met egoïsme, met jezelf afschermen van de anderen om je rust niet te laten verstoren. Dat slaat natuurlijk nergens op.

De Zen?

Wat we “Zen” noemen ontstond toen boeddhistisch meditatieonderricht eind de 5e eeuw voet aan de grond kreeg in China. Taoïstische invloeden werden geabsorbeerd, onder andere door de vertaling van de Indische soetra’s in het Chinees, waarbij natuurlijk de sinds eeuwen ingeburgerde Taoïstische terminologie werd gebruikt. De Indiërs hadden de laatste eeuwen een massa breedvoerige (en dat is nog zachtjes uitgedrukt – als je denkt dat dit een lange tekst is, sla er dan de Mahaprajnaparamitasoetra in 100.000 lijnen even op na -) teksten geproduceerd, maar de Chinezen hielden niet zo van al te lange filosofische traktaten, en waren heel praktisch.

Bodhidharma, die als de stichter van de Zen beschouwd wordt, keerde zich af van het al te geïnstitutionaliseerde Boeddhisme, dat zijn contact met de ervaring van de verlichting had verloren, en ging – aldus het verhaal – alleen in een grot zitten om zazen te beoefenen. Van in het begin stond Zen voor no-nonsense en back to basics. Waar het om ging was: je ware natuur zien, een direct inzicht in de nondualiteit van de werkelijkheid realiseren. Niet dat ze geen respect hadden voor de traditie; maar ze gaven die vorm op een eigentijdse manier. Favoriete soetra’s van de vroege Zen waren de Diamantsoetra en de Lankavatarasoetra. In het onderricht werden woorden wel gebruikt, maar even goed of zelfs bij voorkeur werden allerlei non-verbale manieren van communicatie gebruikt: een direct wijzen naar de realiteit voorbij woorden. Bodhidharma zou nogal kort van stof geweest zijn, maar het is goed mogelijk dat deze typering van later datum is, toen de Zen uitblonk in het gebruik van non-verbale communicatie.

De Madhyamaka school van Nagarjuna was heel belangrijk voor de Zen, naast de Yogacara school van Asanga en Vasubanddhu. Waar Nagarjuna eerder het rationele denken tegen zichzelf gebruikte om het zo te doorprikken, en dus in zekere zin tegelijk filosoof én antifilosoof was, had de Yogacara eerder een psychologische benadering. Ze vertrok van een grondige observatie van de werking van de geest, van het bewustzijn. “Verlies niet uit het oog,” was de waarschuwing, “dat alles wat je waarneemt geen verschijnselen zijn, maar bewustzijn van verschijnselen.” En aangezien nog eens aparte verschijnselen veronderstellen achter dat bewustzijn al te dualistisch was, was het principe van het bewustzijn het aanknopingspunt om de gehele werkelijkheid te duiden. De “Ene Geest” (vertaling van het karakter shin) werd een veelgebruikte uitdrukking in de eeuwen na Bodhidharma. De Shinjin Mei, het eerste zengedicht, toegeschreven aan Sosan (gestorven 206) maar vermoedelijk van latere datum, is een oproep tot het diep realiseren van de nondualiteit . Een paar fragmenten:

De Grote Weg is niet moeilijk,
hij sluit alleen maar elk onderscheid uit.
Vrij van voorkeur of afkeer
zie je hem duidelijk voor je.

In de dharma-wereld van ware zoheid
is er geen zelf, geen ander.
Wil je het kort samenvatten?
Zeg dan gewoonweg: “niet twee”.

 

En dan ging de zentraditie naar Japan?

Het grote genie van de Japanse Zen was Dogen, die in de vroege 13e eeuw de Soto Zentraditie naar Japan bracht. Dogen was een uiterst begenadigd denker, literator en redenaar, die alle aspecten van de zenbeoefening onder woorden bracht op een diepgaande en unieke manier. Kazuaki Tanahashi, die 50 jaar lang het werk van Dogen vertaalde, zei me “Als je het hele oeuvre van Dogen in één woord moet samenvatten: Nondualisme”. Dogen wijst steeds op misvattingen, die voortkomen uit een onvolkomen observatie van de grenzeloze, ongescheiden aard van de werkelijkheid. Zo vaart hij graag uit tegen de Jenika’s die volgens Dogen menen dat er toch op een of andere manier een onsterfelijke, aparte ziel het menselijke lichaam bewoont.

Maar denk nu niet dat je het hele oeuvre van Dogen en zijn collega’s kan vervangen door “alles is één”. Dat zou zeer naïef zijn. Het is de confrontatie van die ongescheidenheid met dat schijnbare gescheiden leven als individu, dat voor een aantal complicaties zorgt. Op dat punt is Dogen’s onderricht – en dat van de hele Zen – zeer diep en menselijk. Maar misschien moet je daar straks nog maar eens naar vragen, laat ons nog eerst één andere traditie bespreken.

 

7. Advaita en Boeddhisme.

Wat is Advaita Vedanta?

Advaita Vedanta, dikwijls kortweg Advaita genoemd – Advaita (Sanskriet, spreek uit: “advajta”) betekent trouwens gewoonweg “nondualiteit” – is de nondualistische school die zich baseert op de Upanishaden. De Upanishaden, ook Vedanta genaamd, zijn de klassieke Indische spirituele teksten die handelen over de natuur van de werkelijkheid en de mogelijkheid tot bevrijding. De vroegste van deze verhandelingen zijn ouder dan het Boeddhisme. Klassieke citaten zijn Jij bent Dat, Ik ben Brahman, Bewustzijn is Brahman, Deze ziel is Brahman… Brahman (niet te verwarren met de Hindoe godheid Brahma) is de essentie van het totaal van de werkelijkheid, als een onpersoonlijk principe.

De stichters van Advaita waren Gaudapada (6e of 7e eeuw) en Shankara (788-820). Alhoewel ze zich baseerden op de Upanishaden, werden Gaudapada en Shankara sterk beïnvloed door de boeddhistische leer, onder ander door de Madhyamaka van Nagarjuna en de Yogacara school, naast andere Boeddhistische ideeën die in die tijd opkwamen zoals de Tathagatagarbha. Ze werden beide in hun tijd beschuldigd “cryptoboeddhisten” te zijn. (En veel boeddhisten werden ervan beschuldigd, cryptoadvaitins te zijn…)

Wat vertelden zij dan?

Wel, zij vertrokken van de oude Indische idee van atman, de ziel. In plaats van die te ontkennen, zoals de Boeddha deed, zeiden ze – in navolging van de Upanishaden: “Atman is Brahman”. Met andere woorden, stelden ze: “die persoonlijke ziel van jou die je meent te hebben, dat is niet iets aparts, gescheiden van de rest; het is niets anders dan de essentie van het bestaan zelf”. Op hun manier ontkenden ze dus ook elke dualiteit ten voordele van het ongescheiden bestaan. Ze ontkenden dat eender welke bestaansvorm in wezen ook maar in de geringste mate een afzonderlijk zelf bezit of gescheiden is van de rest. Zo zeiden ze dus hetzelfde als het Boeddhisme, zij het op een andere wijze.

Wat is dan het verschil met Boeddhisme of Zen?

Vreemd genoeg komen ze op een bepaald punt tot een officieel standpunt, dat lijnrecht tegenover dat van het Boeddhisme staat!

Het Mahayana Boeddhisme poneert dat,
uitgaande van het gebrek aan wezenlijk zelf van elk verschijnsel,
ook het totaal van alle verschijnselen geen zelf heeft,
en dus puur onderling afhankelijke verandering is,
leegte of grenzeloosheid genoemd (sunyata in het Sanskriet).

Advaita Vedanta poneert dat ,
uitgaande van het gebrek aan wezenlijk zelf van elk verschijnsel,
het totaal van alle verschijnselen het enige is dat bestaat, en dat bestaat echt, en onveranderlijk,
en dat wordt Brahman genoemd.

Dus ze zijn het er helemaal over eens dat er niets aparts bestaat? En dat ook bij voorbeeld een mens op geen enkele manier los staat van zijn omgeving? Dat dat een illusie is?

Inderdaad. En ze zijn het ook eens, dat precies dát inzien, niet met het verstand, maar met je lichaam als het ware, dat dát ware onthechting en bevrijding betekent. En, hou je vast, ze zijn het er ook nog eens over eens (met het Mahayana, dus met de Zen) dat we in wezen al bevrijd, verlicht zijn! En ze zijn het erover eens (met de Zen in het bijzonder) dat meditatie niet zo belangrijk is!

Nu ben ik echt niet meer mee… Zen is toch juist een meditatieschool?

Niet als je mediteren ziet als een techniek, een middel om, bij voorbeeld door het ontwikkelen van éénpuntige concentratie, een doel te bereiken. Dat vinden zowel Advaita als Zen, in het bijzonder dan de Soto Zen van Dogen, wel op een praktisch niveau bruikbaar, wel iets dat je kan doen en dat zijn vruchten afwerpt, maar niet de ultieme beoefening, niet dát waar het om gaat. Dogen zegt expliciet in zijn Universele Richtlijnen voor Zazen (Fukanzazengi): “Zazen is geen meditatie”. Daarmee bedoelt hij dat zazen meditatie als doelgerichte techniek totaal overstijgt. Zazen is de beoefening-realisatie van de verlichting. Dat lijkt misschien wat abstract als je er pas mee begint, maar na een tijdje wordt dat heel duidelijk, heel concreet.

Maar als Advaita en Zen het erover eens zijn dat elke gescheidenheid een illusie is, en dat dát inzien, voorbij het denken, niet door “meditatie” maar door radicale openheid en helderheid je al aanwezige verlichting realiseert…
hoe komen ze dan uiteindelijk tot zo’n verschillende conclusie?

Fascinerend, niet? Je kunt je inderdaad afvragen, of die conclusies wel écht zo verschillend zijn…

Je kan het op verschillende manieren benaderen.

We vertrekken vanuit de observatie, dat we een grote verscheidenheid aan vergankelijke verschijnselen waarnemen. Tegelijk echter blijkt dat die altijd één naadloos geheel zijn. Hoe kan het bestaan nu tegelijk “vergankelijk en veel” en “altijd één” zijn? Voor het bestaan is dat geen probleem! Want het bestaan overstijgt die dualiteit. Denk aan de wijsheid van de Sandokai: “het Vele en het Ene zijn als twee zijden van één medaille”. Maar: zo gauw je het in woorden gaat willen uitdrukken, belandt je in dualiteit. Daarom verklaart de menselijke denkende geest het vele in termen van het ene, of het ene in termen van het vele. Het vele wordt met andere woorden gereduceerd tot het ene, of andersom. En zo komen we tot deze twee schijnbaar tegenstrijdige formuleringen.

Mahayana zegt: “er is alleen maar vergankelijkheid, een komen en gaan van onderling afhankelijke verschijnselen”. De vastigheid is een illusie.

Advaita zegt: “er is alleen maar een onveranderlijk zijn, dat zich voordoet als een veelheid van vergankelijke verschijnselen, maar die hebben geen enkele realiteit.”

Ok…

We kunnen het ook anders uitleggen. Laat ons terugkeren naar het punt waarop ze het eens zijn: de illusie, dat die vele verschijnselen elk een apart, zelfstandig eigen bestaan hebben. Deze illusie wordt gecreëerd door het denken, dat per definitie een denken in concepten is. Wat gebeurt er wanneer we helder kijken, zonder ons te verliezen in de concepten?

De zelfstandigheid van de fenomenen wordt doorprikt. Ze bestaan niet meer zoals ze leken te bestaan. Wanner de reïficatie, de verdinglijking door het denken ophoudt, houden de “dingen“ op zo substantieel te lijken. Het gevoel van substantie was een concept. Dan hebben de verschijnselen niet meer de zelfde kwaliteit van “echtheid”. Het is als een stripverhaal, waarbij de zwarte lijntjes rondom de dingen en mensen ontbreken. De dingen verliezen zo hun schijnbare onafhankelijke substantie.
Dat is het punt waar het Mahayana de nadruk op legt.

Maar: er is nog altijd “iets” wat dan ook dat moge zijn: geen apart voorwerp of verschijnsel, want dat is er niet, maar er is nog altijd iets in plaats van niets, heel de tijd door. Hoewel de aparte dingen ergens hun substantie verliezen, is het bestaan daar wel, directer en “echter” dan ooit.
Daar legt Advaita de klemtoon.

Maar dat zijn dus verschillen in formulering, die vertrekken van de realiteit voorbij woorden.
Je zou kunnen zeggen dat ze verschillende aspecten van de nonduale beleving benadrukken.

Daar kan ik me nog wel iets bij voorstellen…

Nog een andere benadering: een groot deel van mijn leven heb ik het gevoel een apart IK te zijn dat zich bevindt in een wereld. Als er een helderheid voorbij woorden is, dan zijn er enkel verschijnselen, zonder de klassieke scheiding tussen “ik” en “wereld”, want ook die scheiding is een gedachte, een definitie. Dan kan je achteraf zeggen: er is geen “ik”, alleen de totaliteit van het ongescheiden bestaan (de leegte of grenzeloosheid van het Mahayana); of je kan zeggen: “ik” ben in feite alles (Brahman van Advaita).

Ik ben blij dat we dit opnemen, want ik ga het later nog eens rustig moeten nalezen, denk ik…

Misschien kan je het nog beter zien vanuit de verhouding subject (waarnemer, bewustzijn) – object (verschijnselen). Zelfs wanneer je je hebt gedesidentificeerd met alles wat je vroeger dacht te zijn, blijft er mogelijk een laatste gevoel van “ik ben het bewustzijn, de onpersoonlijke waarnemer” die “een wereld van objecten” waarneemt. Als ook deze dualiteit instort, is er geen waarnemer of waargenomene meer. Wat overblijft kan je in woorden gieten als “er is alleen het waargenomene: een proces van eindeloze verandering, waarin allerlei verschijnselen in onderlinge afhankelijkheid komen en gaan, en ja dat is er nu eenmaal, maar er is niets aparts dat zich hiervan bewust is, ” (Mahayana); of: “Er is alleen maar bewustzijn, de schijnbare verschijnselen ZIJN het bewustzijn dat allerlei vormen aanneemt, die geen duurzaamheid, dus realiteit hebben (Advaita).

 

8. Een gesprek op het strand…

Kan je hier ook de metafoor van de oceaan en de golven gebruiken?

Zeker!
Mahayana zegt: “Zie je dat die “golven” geen enkel apart bestaan hebben in werkelijkheid? Dat er maar één golvenspel is? En dat ene golvenspel, daar kan je natuurlijk niet van zeggen dat het “iets” is, een “ding” is, want dat zijn woorden die we gebruiken om de illusie aan te duiden dat een golf een zelfstandig bestaan heeft; dat is een relatieve term om een deel van het geheel af te scheiden door een gedachtenconstructie…

Advaita zegt: “Dat is allemaal wel waar, maar zie je niet dat die golven allemaal water zijn? Het is gewoon allemaal water! Het water neemt wel allerlei vormen aan, maar het blijft gewoon water! Voor het water maakt het niets uit of het in een hoge of een lage golf, of gewoon in de oceaan zit! Wat betreft het water gebeurt er niets. Een watermolecule blijft een watermolecule, trouwens.

Hm, dat laatste is wel overtuigend… wat zeggen de boeddhisten daarop?

We zullen zien… laat ons even een mahayanaboeddhist en een advaitin een discussie aangaan…
Ik moet er wel bij zeggen dat noch Mahayana, noch Advaita zo’n monolithische tradities zijn als men soms denkt. Je vindt heel verschillende interpretaties binnen elke traditie.

Maar laten we luisteren naar hun discussie!

Boeddhist: “Met dat water heb ik niets te maken, ik ken alleen de golvenwereld…”
Advaitin: “Maar de golven ZIJN water!”
Boeddhist: ” Veronderstel je een metafysische essentie achter de golvenwereld, die er de eeuwige, tijdloze ondergrond van is? Waar haal je zo’n ideeën? Bovendien, is dat niet dualistisch?”
Advaitin: ” Hoezo, idee? Ik ervaar het ZIJN voortdurend, dat is geen abstracte theorie voor mij! En trouwens: het water is op geen enkele manier gescheiden van de golven hoor: golf is de vorm die water aanneemt, water is dat waarvan de golf gemaakt is, dat is één. Staat dat niet in jullie Hartsoetra: “Vorm is leegte, leegte is vorm?””
Boeddhist: “Leegte is niet de ondergrond van de vormen, zoals water van de golven; leegte is de totaliteit van de vormen, die samen één zijn!”
Advaitin: “Waar zijn die vormen van jullie dan van gemaakt?”
Boeddhist: “Die zijn nergens van gemaakt, dat zou dualistisch zijn, die zijn er gewoon, maar opnieuw: enkel in onderling verband!”
Advaitin: “Maar er is toch iets, en niet niets?”
Boeddhist: “maar ook dat is dualistisch! Over het ongescheiden geheel kan je niet zeggen dat het bestaat noch dat het niet bestaat, dat zijn allemaal dualistische ideeën die alleen een plaats hebben binnen dat geheel, dat wij de leegte (of grenzeloosheid) noemen.
Advaitin: “Ik begrijp je argument, je kan van het geheel niet zeggen dat het bestaat als een relatief voorwerp, maar je kan eventueel ook zeggen dat het geheel absoluut bestaat”
Boeddhist: “Dat is metafysica! Zweverig, speculatief gedoe!”
Advaitin : ”Helemaal niet! In de directe waarneming is er geen onderscheid, geen tijd, is het altijd nu…”

Enzovoort… zo kunnen ze nog uren doorgaan…

Spannende discussie! Wie heeft er gewonnen?

(Lacht) Ik zou zeggen dat noch Boeddhisme, noch Advaita gewonnen hebben. De echte winnaars (dit klinkt heel fout, zie het maar puur als een retorische manier van spreken) zijn zij die, in eender welke traditie, ook deze laatste schijnbare gescheidenheid overstijgen en zien dat het alleen woorden zijn, die geen enkele zin hebben als je er uitspraken mee wil doen over de werkelijkheid. Waarom? Omdat de werkelijkheid de taal overstijgt: taal is een deel van de werkelijkheid. Dat neemt niet weg dat die manieren van spreken heel nuttig kunnen zijn om mensen wakker te schudden, en ze in de richting van een echte bevrijding te sturen.

Denk aan de bevrijding als een plaats in Australië: één leraar stuurt je naar het westen, een andere naar het oosten… als je niet inziet dat de aarde rond is, denk je dat één van de twee er helemaal naast zit, je zelfs exact naar de verkeerde kant stuurt! Maar als je hun aanwijzingen vertrouwt en uitvoert, zal je in Australië geraken… en natuurlijk kan je ook over het zuiden, het noorden en alle tussenliggende windrichtingen gaan, want Australië is niet afhankelijk van aanwijzingen over windrichtingen, het ligt daar gewoon.

Bekleedt de Zen een speciale positie in deze discussie?

Wel, de Zen is natuurlijk bekend voor zijn tendens, het buiten woorden te zoeken. In de Vimalakirtisoetra werd er al heel mooi op gewezen, nog voor de Zen bestond, dat het laatste woord over nondualiteit sowieso stilte is! Tegelijkertijd hebben de grote zenleraars, Dogen incluis, massa’s teksten geschreven, heel interessante teksten trouwens, die geen filosofische speculatie zijn, maar teksten die een verschil maken, die ons wakker houden, onze concepten opblazen. Maar denk ook niet dat Zen één monolithische school is: in elke periode zijn er zeer uiteenlopende stijlen en vormen van zenonderricht tegelijkertijd geweest. Dat geldt trouwens, zoals ik al zei, voor alle boeddhistische scholen, en ook voor Advaita. We moeten dus oppassen met veralgemeningen…

 

9. De laatste valkuil?

Zijn gescheidenheid en ongescheidenheid eigenlijk gescheiden?

Het doet me veel plezier dat je deze vraag stelt! Dat is inderdaad een instinker. Wat denk je zelf? Puur klankmatig zit er alvast een grote eenheid in je vraag…

Wel, ik weet ondertussen dat elke gescheidenheid onwerkelijk is, niet fundamenteel… maar het blijft toch moeilijk, want aangezien het erom gaat om de werkelijke ongescheiden aard van het bestaan te zien, en de illusies te doen oplossen… is er toch een belangrijk onderscheid tussen die twee?

Een belangrijk onderscheid, dat klopt… maar samsara (de wereld van het onderscheid en lijden) en nirvana (de ongescheiden wereld van bevrijding) zijn beide op zich substantieloos, zegt het Mahayana Boeddhisme, en zijn niet gescheiden. Nirvana is geen hemel ergens ver weg, hoog verheven boven dit aardse tranendal (samsara). Het is DIT bestaan hier en nu, maar niet langer meer bekekenen door de bril van het onderscheid, of toch niet langer meer uitsluitend bekeken door deze bril…

Vergeet niet dat de ongescheiden werkelijkheid ook alle perspectieven van onderscheid omvat. In het begin van ons gesprek heb ik er al op gewezen, dat het bestaan nu eenmaal gelaagd is.

De Sandokai , geschreven door Sekito (700-790) gaat hierover: over het feit dat het Ene (ongescheidene) en het Vele (de gescheiden wereld, gezien door het denken) zijn als twee kanten van dezelfde medaille, dus: ongescheiden! San (vele) en do (ene) zijn kai (geven elkaar de hand).
In de tekst staat er nog:

Gehecht zijn aan dingen is begoocheling;
de werkelijkheid begrijpen is nog geen verlichting.

Dikwijls zijn er mensen, die het ene hebben gerealiseerd, achteraf hieraan gehecht (volgens mij kan dat alleen maar omdat ze er een concept van gemaakt hebben); ze willen alleen de eenheid, en de veelheid niet. Ze willen alleen maar verlicht zijn, gaan zich expliciet onthecht opstellen – en ook verwachten dat anderen dat doen. Zo leven ze in een complete illusie. Wat missen ze? Het diepe inzicht, dat ook onze gehechtheden, onze illusies, onze zwakheden en tekortkomingen deel uitmaken van het ongescheiden geheel, en dus niet moeten verdwijnen, maar gewoon belicht dienen te worden. Het water en de golven zijn één. Begrijp me niet verkeerd: ik zeg niet “doe maar op!” want als je die tekortkomingen echt grondig belicht, zullen ze onschadelijk zijn. Ga ze dus niet ontkennen of onderdrukken. Als je dat diep realiseert vermijd je een laatste, maar gevaarlijke valkuil.

In de Zen is deze val goed gekend. Daarom wordt er heel erg de nadruk gelegd op de integratie van beoefening en alle aspecten van het dagelijkse leven: werk, huishouden, eten, stappen, tanden poetsen, naar de wc gaan. Elk moment van de dag kan beoefening van verlichting zijn, er staat niets buiten het verlichte leven. Zo vermijden we ons te hechten aan aparte spirituele momenten, en neer te kijken op de “gewone dingen”. Het is juist deze dualiteit die er “gewone dingen” van maakt.

Wanneer we zo in het leven staan, kunnen we elk ding, elk verschijnsel beleven als ons meest intieme, ongescheiden zelf.

 

10. De noodzaak van grenzen stellen.

Ik zit toch nog ergens mee… ik heb er alle vertrouwen in dat die grenzen en mijn ik-gevoel vanuit een meer fundamenteel niveau virtueel zijn enzovoort, maar betekent dat dan dat we op een persoonlijk niveau geen grenzen mogen stellen?

Het is heel belangrijk, om het spirituele en het persoonlijke niveau uit elkaar te houden. Dat is weer de gelaagdheid van het bestaan. Begrijp me niet verkeerd, het gaat er natuurlijk om, je spirituele ontwikkeling helemaal te integreren in je dagelijkse leven, en het is belangrijk, in je spirituele ontwikkeling helemaal tot het einde te gaan. Wat ik nu zeg, is op geen enkele manier een relativeren van het voorgaande!

Tegelijkertijd is mijn bestaan fundamenteel totaal ongescheiden, én ben ik op zeker niveau een individu. Dat is de boodschap van de Sandokai, en van heel de Zen en alle gelijkaardige tradities. Dat is de opgave waarmee we als mens leven. Daarom is het leven zo fascinerend.

Laat ons terugkeren naar het verhaal van de aardbei en de panter: je loopt in het bos, en komt één van beide tegen. Beide zijn in wezen op geen enkele manier gescheiden van de rest, en alles wat ik als “mezelf” beschouw evenmin. Op het ultieme niveau maakt het niet uit, of ik de aardbei eet, of de panter mij. En toch verkies ik, als individu, het eerste.

Dat lijkt me een correcte samenvatting van de situatie, ja…

Goed te horen dat je mee bent! Nu kan je de fout maken, te denken dat het dus –vanuit de grenzeloosheid- niet “klopt” als je toch de eerste situatie verkiest. Maar de keuzes en verlangens en beslissingen en het welzijn van dat “individu” maken evenzeer deel uit van dat ongescheiden geheel. Vanuit het oogpunt van het geheel zijn beide maaltijden ok, vanuit het standpunt van dit individu niet. Beide standpunten vormen een deel van het geheel.

Wanneer je een spel monopoly speelt, is het dan belangrijk wie er verliest of wint? Vanuit het spelmoment gezien, wel – anders zou je niet spelen, of er geen plezier aan hebben. Vanuit het iets grotere standpunt gezien, heeft het geen enkel belang: na afloop gaan bord en pionnen toch terug in de doos.

Dus: als individu moet je voor het individu zorgen, en het beschermen. Met “voor het individu zorgen” bedoel ik: zowel voor jezelf als individu, als voor de anderen als individu. Natuurlijk: pas als je in voldoende mate voor jezelf zorgt, kan je voor anderen zorgen. Soms zijn er momenten of zelfs periodes, dat het eigen individu als dusdanig alle aandacht vraagt. Dat is dan zo. Op andere tijdstippen gaat de aandacht eerder naar anderen. Hoe meer helderheid er is, hoe meer je geneigd zal zijn voor anderen te zorgen. Over het verband tussen nondualiteit en mededogen hebben we het al gehad: die hangen helemaal samen, dat is essentieel. Maar soms schieten mensen in een soort van dwangmatigheid, als het gaat over anderen helpen. Dan wordt het een verkrampte toestand, vanuit een gedachte: “ik zou eigenlijk moeten”. Dat is niet goed, het leidt tot allerlei wantoestanden. Het zoeken van een gezond evenwicht maakt ook deel uit van het geheel. Vergeet nooit, dat voor jezelf zorgen, deel uitmaakt van voor het grotere geheel zorgen. Daarom is het stellen en respecteren van je eigen grenzen essentieel. Maak geen concept van zelfloosheid, om het dan op een destructieve manier te gebruiken.

In de Bodaisatta Shishobo vertelt Dogen een verhaal over een keizer in het oude China, die in zijn bad zat, en tot drie keer toe uit bad kwam en zich afdroogde om een onverwachte gast te ontvangen. Op een ander moment onderbrak hij drie keer zijn maaltijd om iemand te ontvangen…

Ik wist niet dat je Dogen had gelezen… Voor een keizer is dat zeer bescheiden en hulpvaardig gedrag, en een mooi voorbeeld van beschikbaarheid voor de anderen. Maar wanneer je het ziet als een aansporing om ten allen tijde voor iedereen onbeperkt beschikbaar te zijn, gaat het zijn doel voorbij. Ik kom soms wel mensen tegen hoor, die denken dat ik alles voor ze moet doen wat ze willen, omdat ik boeddhist ben en dus volgens hen volledig ter beschikking moet staan… Maar op tijd en stond “nee” zeggen, is belangrijk. Vergeet niet dat grenzen stellen ook betekent: iets waardevols beschermen. Een “nee” kan dus in wezen een “ja” aan iets anders zijn.

Maar hoe weet ik of ik “nee“ zeg om een essentiële lichamelijke of geestelijke behoefte van mezelf of van anderen te beschermen, en wanneer ik gewoon lui of laks of egoïstisch ben?

Daarvoor is helder inzicht vereist natuurlijk. Dat ontwikkel je door heldere observatie bij alles wat je doet… naast zelfkennis op het meest wezenlijke niveau is er ook de zelfkennis op het psychologische niveau. Ook hier ligt weer een grote uitdaging, een uitnodiging om je leven diepgaand te belichten.

 

11. Oorverdovende stilte.

Wat moet ik hiervan nu onthouden voor mijn beoefening?

Beoefen intensief Zen onder leiding van een ervaren leraar. Wees helder en open bij alles wat je doet of beleeft. Wees voorzichtig met het trekken van verstandelijke conclusies over je beoefening: dat zijn dikwijls concepten die je distilleert uit je praktijk, en die dan vervolgens een hindernis vormen. Blijf nergens op steken. Maak je niet ongerust: de openheid die groeit zal zich op een of andere manier onbewust in je systeem vestigen. Het gaat om een loslaten, niet om het verzamelen van informatie of denkbeelden.

Maak vooral geen concept van ongescheidenheid. Automatisch zal je in zazen, door telkens weer het perspectief van het denken te verlaten (wat helemaal niet betekent dat er geen gedachten zijn!), diepgaand vertrouwd geraken met het ongescheiden bestaan: onderling afhankelijke verschijnselen komen en gaan voortdurend als golven op de oceaan- dat kan je de realisatie van sunyata, leegte noemen. Tegelijk zal je intiem worden met het zijn van die verschijnselen, met hun materiaal: je kan zien dat het allemaal water is- dat kan je Brahman noemen. Maar in zazen benoemen we noch sunyata, noch Brahman. Als een gedachte opkomt, is er gewoon een woordeloos beleven van hoe ze opkomt, verblijft en oplost; naast een woordeloos voelen van hoe ze aanvoelt, hoe haar zijn aanvoelt. En die twee zijn niet gescheiden … Zazen overstijgt elke dualiteit, elke verwoording.

Pin spirituele tradities niet vast op hun conclusies, maar zie wat ze doen, wat hun praktijk is. Dan zal je merken dat ze misschien veel dichter bij je staan dan je aanvankelijk dacht. Misschien komt er wel een moment dat een hulpmiddel uit een andere traditie je net die impuls geeft, die je nodig hebt om je verder te openen.

Het Boeddhisme versmolt bij zijn aankomst in China diepgaand met het Taoïsme en werd Zen-maar bleef tegelijk trouw aan zijn inhoud. In Tibet integreerde het de oude Bön-traditie. Op gelijkaardige manier is de Zen na zijn aankomst in het westen grondig aan het evolueren. De situatie is deze keer heel nieuw: alle grote tradities van het verleden, van over de ganse wereld, zijn tegenwoordig beschikbaar voor de ernstige zoeker; er zijn de ontwikkelingen op psychologisch en therapeutisch gebied; er is de hedendaagse wetenschap, de kunst… Na een paar decennia van zoeken ontstaat er een eigen westerse Zen, die stilaan volwassen wordt, kunnen we wel stellen. Oude culturele elementen, die ten onrechte met de essentie werden verbonden tijdens de eerste jaren kunnen nu losgelaten worden. Welke precieze keuzes daarin gemaakt worden, dat verschilt van school tot school, en van mens tot mens – zoals het altijd geweest is. Er is een hele regenboog aan mogelijke zenonderrichten mogelijk – een bijzonder spannende en inspirerende situatie. Om de Sandokai te parafraseren: zowel ongescheidenheid als diversiteit zijn fundamentele eigenschappen van het bestaan en die twee, daar valt geen speld tussen te krijgen. Dus laat ons dit gesprek nu maar, in navolging van de grote Vimalakirti in de gelijknamige soetra, besluiten met de best mogelijke ode aan de nondualiteit: een oorverdovende stilte.

 

Luc De Winter, Tallinn, 21 juli 2017
© Luc De Winter 2017.