Kesasoetra of Takkesa Ge

Dai sai gedap-puku
Muso fuku den e
Hi bu nyorai kyo Ko do shoshu jo.   O kleed van de grote bevrijding, kesa van het veld van het onbegrensde geluk. Met geloof ontvang ik het Boeddhaonderricht om alle voelende wezens vrijgevig te helpen.   Dit vers wordt ‘s ochtends drie keer na zazen gezongen met de handpalmen tegen elkaar. De tekst drukte eerbied uit voor de kesa, het monnikskleed, als teken dat een zenpraktijk in wezen geen zaak van wellness of ontspanning is, maar een beoefening van de bevrijdingsweg van de Boeddha. Rust en welzijn zijn mooie neveneffecten, maar die zullen beperkt en fragiel blijven zolang dit de enige reden is van je praktijk. Meester Deshimaru drukte dat in zijn typisch uitdagende stijl uit als: “Zazen zonder de kesa is gymnastiek.”