Virtuele zen-bibliotheek

Kesasoetra of Takkesa Ge

13 januari 2009

Dai sai gedap-puku
Muso fuku den e
Hi bu nyorai kyo Ko do shoshu jo.   O kleed van de grote bevrijding, kesa van het veld van het onbegrensde geluk. Met geloof ontvang ik het Boeddhaonderricht om alle voelende wezens vrijgevig te helpen.   Dit vers wordt ’s ochtends drie keer na zazen gezongen met de handpalmen tegen elkaar. De tekst drukte eerbied uit voor de kesa, het monnikskleed, als teken dat een zenpraktijk in wezen geen zaak van wellness of ontspanning is, maar een beoefening van de bevrijdingsweg van de Boeddha. Rust en welzijn zijn mooie neveneffecten, maar die zullen beperkt en fragiel blijven zolang dit de enige reden is van je praktijk. Meester Deshimaru drukte dat in zijn typisch uitdagende stijl uit als: “Zazen zonder de kesa is gymnastiek.”  

 

   

 

Diamantsoetra

13 januari 2009

Inleiding

De Diamantsoetra is net als de Hannya Shingyo een heel gecondenseerde tekst en een samenvatting van de filosofie van de leegte. Hij werd vermoedelijk in de derde of vierde eeuw n. Chr. geschreven, dus heel wat eeuwen na het leven van de Boeddha, toen bepaalde kringen (mahayana) met nieuwe teksten nieuw leven wilden blazen in een wat uitgeblust boeddhisme. In de tekst vraagt een leerling aan de Boeddha hoe een bodhisattva, een ideale beoefenaar, moet leven. De Boeddha antwoordt met drie thema’s: (1) hij blijft voor ogen houden dat elk zelfbeeld maar een beeld is, (2) hij beoefent volop de deugden van de bodhisattva (de paramita’s) zonder zich te hechten aan de verdiensten die hem dat oplevert, (3) hij vergist zich niet over de betekenis van het woord leegte. De Diamantsoetra is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de zen en volgens de traditie ontwaakte Eno, de befaamde zesde patriarch, als jongeling door het horen van één enkele zin. Wie meer wilt weten over de Diamantsoetra, kan op onze site het artikel van Tom Shoden Hannes over de Diamantsoetra lezen.

 

Oorspronkelijke tekst

1

Zo heb ik het gehoord: Op een keer verbleef de Boeddha in de omgeving van Sravasti, aan het bos van Jeta, geschonken door Sudutta, samen met een menigte van 1250 grote bedelmonniken. Bij etenstijd nam de Wereldvereerde een bovenkleed en een kom, en trok naar de stad Sravasti om er om voedsel te bedelen. Nadat hij van huis tot huis gebedeld had, ging hij naar zijn verblijfplaats terug. Nadat hij zijn maaltijd opgegeten had, legde hij zijn kleed en kom weg. Hij waste zijn voeten, spreidde een mat op de grond en ging zitten.

[1]

2

In die tijd bevond de oudere leerling Subhuti zich onder de menigte. Hij kwam recht van zijn zitplaats, ontblootte zijn rechterschouder, knielde neer op zijn rechterknie, bracht zijn handpalmen in respect samen en zei tot de Boeddha: “Het is prachtig, Wereldvereerde, hoe goed de Verwezenlijkte voor de bodhisattva’s zorgt, hoe goed hij de bodhisattva’s opleidt. Wereldvereerde, als goede mannen en goede vrouwen hun zinnen op de hoogste volmaakte verlichting zetten, hoe moeten ze dan leven? Hoe moeten ze hun geest controleren?” De Boeddha zei: “Goed, Subhuti! Zoals je zegt, zorgt de Verwezenlijkte goed voor de bodhisattva’s en leidt hij de bodhisattva’s goed op. Luister nu goed, ik zal het je uitleggen. Als goede mannen en goede vrouwen hun zinnen op de hoogste volmaakte verlichting zetten, moeten ze als volgt leven en hun geest overmeesteren.” “Ja, Wereldvereerde. Dat zouden we graag horen.”

3

De Boeddha zei tot Subhuti: “De bodhisattva’s mahasattva’s moeten hun geest op de volgende manier overwinnen: ik doe alle soorten levende wezens – of ze nu geboren zijn uit eieren, uit een moederschoot, uit vocht, of geboren in een metamorfose, of ze nu materieel zijn of immaterieel, of ze nu denken of niet, of noch denken noch niet-denken – allemaal het nirvana dat niets achterlaat binnengaan en bevrijdt hen dus door uitdoving. Zo bevrijd ik ontelbare, talloze, oneindig veel wezens door uitdoving, terwijl er in werkelijkheid geen wezens zijn die bevrijd raken door uitdoving. Waarom? Subhuti, als bodhisattva’s beelden hebben van een zelf, een persoon, een wezen, iemand die het leven leeft, dan zijn ze geen bodhisattva’s.” [2]

4

“Bovendien, Subhuti, mogen bodhisattva’s op niets vertoeven als ze vrijgevig zijn. Dit betekent vrijgevig zijn zonder te vertoeven op vormen, vrijgevig zijn zonder te vertoeven op geluiden, smaken, geuren, tastobjecten en gedachteobjecten. Subhuti, bodhisattva’s moeten op deze manier vrijgevig zijn en niet op verschijnselen vertoeven. Waarom? Omdat, als bodhisattva’s de vrijgevigheid beoefenen zonder op verschijnselen te vertoeven, de verdiensten onvoorstelbaar zijn. Subhuti, wat denk je? Is de ruimte in het oosten meetbaar met de geest?” “Nee, Wereldvereerde.” “Is de ruimte in het zuiden, of het westen, of het noorden, of de vier tussenliggende richtingen, of naar boven of beneden, meetbaar met de geest?” “Nee, Wereldvereerde.” “Subhuti, de verdiensten van de bodhisattva die de vrijgevigheid beoefent zonder op de verschijnselen te vertoeven, zijn ook zo. Ze kunnen niet met de geest gemeten worden. Subhuti, bodhisattva’s zouden enkel moeten leven zoals het hen onderricht wordt.”[3]

5

“Subhuti, wat denk je: is het mogelijk om de Verwezenlijkte in termen van fysieke eigenschappen te zien?” “Neen, Wereldvereerde, het is niet mogelijk om de Verwezenlijkte in termen van fysieke eigenschappen te zien. Waarom niet? Omdat fysieke eigenschappen, zoals de Verwezenlijkte uitlegt, geen fysieke eigenschappen zijn.” De Boeddha zei tot Subhuti: “Alle verschijnselen zijn denkbeeldig. Als je ziet dat verschijnselen geen eigenschappen zijn, dan zie je de Verwezenlijkte.”

[4]

6

Subhuti vroeg de Boeddha: “Wereldvereerde, zal iedereen die dit onderricht te horen krijgt, een oprecht geloof ontwikkelen?” De Boeddha zei tot Subhuti: “Spreek zo niet. In de laatste vijfhonderd jaar na de dood van de Verwezenlijkte zullen er mensen zijn die de voorschriften naleven en goede daden doen, die in staat zullen zijn om geloof op te brengen voor dit onderricht en het als waar beschouwen. Je moet weten dat die mensen wortels van het goede geplant zullen hebben, niet met één, twee, drie, vier of vijf Boeddha’s, maar met oneindig veel duizenden miljoenen Boeddha’s. Ze zullen een zuiver geloof ontvangen als ze dit onderricht zelfs maar één moment horen. Subhuti, de Verwezenlijkte weet en ziet dat al deze wezens op deze manier oneindige verdiensten te beurt vallen. Waarom? Deze wezens hebben geen beeld meer van een zelf, geen beeld meer van een persoon, geen beeld meer van een wezen, geen beeld meer van iemand die het leven leeft. Ze hebben geen beeld van de waarheid en ook geen beeld van de onwaarheid. Waarom niet? Als de geest van deze mensen naar verschijnselen grepen, zouden ze gehecht zijn aan een zelf, een persoon, een wezen, iemand die het leven leeft. Als ze naar een beeld van de waarheid grepen, zouden ze gehecht zijn aan een zelf, een persoon, een wezen, iemand die het leven leeft. Als ze naar een beeld van de onwaarheid grepen, zouden ze gehecht zijn aan een zelf, een persoon, een wezen, iemand die het leven leeft. Grijp daarom niet naar de waarheid en grijp niet naar onwaarheid. In deze zin zegt de Verwezenlijkte altijd dat jullie, bedelmonniken, weten dat de waarheid die ik onderricht als een vlot is. Zelfs de waarheid moet opgegeven worden, waarom dan niet de onwaarheid.”

7

“Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte de onovertroffen volledige volmaakte verlichting bereikt? Heeft de Verwezenlijkte een doctrine te prediken?” Subhuti zei: “Zoals ik de principes die de Verwezenlijkte onderricht, begrijp, is er geen vaste toestand die ‘onovertroffen volledige volmaakte verlichting’ genoemd wordt, en is er geen vaste doctrine die de Verwezenlijkte te prediken heeft. Waarom niet? De doctrines die door de Verwezenlijkte onderricht worden, kunnen niet gegrepen of gepredikt worden. Ze zijn geen waarheden of onwaarheden. Waarom niet? Alle heiligen en wijzen bestaan door de niet-gecreëerde waarheid maar toch verschillen ze.”

8

“Subhuti, wat denk je? Als iemand een heelal met een miljard werelden met edelstenen vulde en dat gebruikte om vrijgevig weg te schenken, zou hij dan veel verdiensten verwerven?” Subhuti zei: “Heel veel, Wereldvereerde. Waarom? Deze verdiensten zijn van nature geen verdiensten, daarom zegt de Verwezenlijkte dat de verdiensten talrijk zijn.” “Als iemand zelfs maar één vierregelig vers van deze soetra bevat en aan anderen vertelt, dan overstijgt de verdienste daarvan de vorige. Waarom? Subhuti, alle Boeddha’s en de staat van onovertroffen volledige volmaakte verlichting van de Boeddha komt voort uit deze soetra. Subhuti, wat ‘boeddhisme’ genoemd wordt, is geen boeddhisme.”

9

“Subhuti, wat denk je? Kan een stroominganger denken: ‘Ik heb het resultaat behaald van in de stroom te gaan’?” Subhuti zei: “Nee, Wereldvereerde. Waarom niet? ‘Stroominganger’ is de benaming voor iemand die in de stroom gaat, maar toch gaat hij nergens in. Hij gaat niet in vorm, geluid, geur, smaak, tastobject of gedachtenobject. Dit wordt ‘een stroominganger’ genoemd.” “Subhuti, wat denk je? Kan een eenmalige terugkomer de gedachte onderhouden: ‘Ik heb het resultaat behaald van nog maar één keer terug te komen’?” Subhuti zei: “Nee, Wereldvereerde. Waarom niet? ‘Eenmalige terugkomer’ is de benaming voor iemand die nog maar één keer heengaat en terugkomt, maar in werkelijkheid geen komen of gaan kent. Dit wordt ‘eenmalig terugkomen’ genoemd.” “Subhuti, wat denk je? Kan een niet-terugkomer de gedachte onderhouden: ‘Ik heb het resultaat behaald van niet terug te komen’?” “Subhuti zei: “Nee, Wereldvereerde. Een ‘niet-terugkomer’ is de benaming voor iemand die niet terugkomt. Maar in werkelijkheid is er geen komen en dat is de reden voor de naam ‘niet-terugkomer’.” “Subhuti, wat denk je? Kan een heilige de gedachte onderhouden: ‘Ik heb de heiligheid bereikt’?” Subhuti zei: “Nee, Wereldvereerde. Waarom niet? Er is geen staat die ‘heiligheid’ heet. Wereldvereerde, als heiligen de gedachte ‘ik heb de heiligheid bereikt’ onderhielden, dan zou dat een fixatie zijn op een zelf, een persoon, een wezen en iemand die het leven leeft.”[5]”Wereldvereerde, U zegt dat ik beter wie dan ook de verzinking in niet-strijden bereikt heb en dat ik de heilige ben die het meest onthecht van verlangens is. Ik onderhoud de gedachte niet dat ik een heilige ben die het meest onthecht is van verlangens.” “Wereldvereerde, als ik de gedachte onderhield dat ik de heiligheid bereikt heb, dan zou de Verwezenlijkte niet zeggen dat Subhuti graag in de wildernis vertoef. Het is omdat Subhuti eigenlijk nergens vertoeft dat er gezegd wordt dat Subhuti graag in de wildernis vertoeft.”

10

De Boeddha zei tot Subhuti: “Wat denk je? Verwierf de Verwezenlijkte, toen hij in het verleden bij Boeddha Dipankara was, iets op de Weg van de waarheid?”[6] “Nee, Wereldvereerde. De Verwezenlijkte verwierf eigenlijk niets op de Weg van de waarheid bij Boeddha Dipankara.” “Subhuti, wat denk je? Tooien bodhisattva’s Boeddhalanden?”[7] “Nee, Wereldvereerde. Waarom? Boeddhalanden tooien is geen tooi. Het wordt ‘tooi’ genoemd.” “Daarom, Subhuti, moeten bodhisattva mahasattva’s op de volgende manier een zuivere geest voortbrengen: ze mogen geen geest activeren die op vormen vertoeft, ze mogen geen geest activeren die op geluiden, geuren, smaken, tastobjecten of gedachteobjecten vertoeft. Ze moeten de geest activeren zonder op iets te vertoeven. Subhuti, stel dat iemand een lichaam had dat zo groot was als de berg Meru[8]. Denk je dat dit lichaam dan groot zou zijn?” Subhuti zei: “heel groot, Wereldvereerde. Waarom? Het onlichamelijke waarover de Boeddha spreekt, wordt ‘een groot lichaam’ genoemd.”

11

“Subhuti, stel dat er zoveel Gangessen waren als zandkorrels in de Gangesbedding. Zouden er in die rivieren dan veel zandkorrels zijn?” Subhuti zei: “Heel veel, Wereldvereerde. De rivieren zelf zouden ontelbaar zijn, laat staan hun zandkorrels.” “Subhuti, ik vertel je de waarheid: als een goede man of goede vrouw even veel universa met miljarden werelden als er zandkorrels in zoveel Gangessen zijn met edelstenen vulde, en die gebruikte om vrijgevig weg te schenken, zou die daar veel verdiensten mee verwerven?” Subhuti zei: “Heel veel, Wereldvereerde.” De Boeddha zei tot Subhuti: “Als een goede man of goede vrouw zelfs nog maar het equivalent van één vierregelig vers van deze soetra aannam, bevatte en aan anderen vertelde, dan zou de verdienste hiervan veel groter zijn dan de vorige.”

12

“Daarenboven, Subhuti, eender waar deze soetra onderricht wordt, of zelfs nog maar een vierregelig vers ervan, is deze plaats het waard om offerandes te krijgen van alle wezens – mensen, engelen of demonen[9]- alsof die plaats een Boeddhaschrijn was. Hoeveel meer dan niet aan iemand die de hele tekst kan aannemen, bevatten, lezen en reciteren. Subhuti, je moet weten dat deze mens de hoogste, meest zeldzame staat bereikt. Waar deze soetra ook is, deze persoon ziet, als een trouwe volgeling, dat de Boeddha daar is.”

13

Toen zei Subhuti tot de Boeddha: “Wereldvereerde, hoe moet deze soetra genoemd worden en hoe moeten we hem hooghouden?” De Boeddha zei tot Subhuti: “Deze soetra wordt de Diamanten prajnaparamitasoetragenoemd en onder deze naam moet je hem hooghouden. Waarom? Subhuti, de prajnaparamita die door de Boeddha uitgelegd wordt, is geen prajnaparamita.” “Wat denk je, Subhuti, heeft de Verwezenlijkte een doctrine om te prediken?” Subhuti zei tot de Boeddha: “Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft geen doctrine.” “Subhuti, wat denk je? Zijn er veel atomen in een heelal met een miljard werelden?” Subhuti zei: “Heel veel, Wereldvereerde.” “Subhuti, die atomen, zegt de Verwezenlijkte, zijn geen atomen. Ze worden ‘atomen’ genoemd. De Verwezenlijkte zegt dat het heelal niet het heelal is, maar dat het ‘het heelal’ genoemd wordt.” “Subhuti, wat denk je? Kan de Verwezenlijkte gezien worden aan de hand van de tweeëndertig tekens?” “Nee, Wereldvereerde, de Boeddha kan niet gezien worden aan de hand van de tweeëndertig tekens. Waarom? De tweeëndertig tekens, zoals de Verwezenlijkte uitlegt, zijn geen tekens. Ze worden ‘tweeëndertig tekens’ genoemd.” “Subhuti, stel dat er goede mannen en goede vrouwen zijn die ontelbare levens vrijgevig wegschenken. Stel nu dat er mensen zijn die het equivalent van zelfs maar één vierregelig vers uit deze soetra aannemen, bevatten en aan anderen uitleggen. Hun verdiensten zouden veel groter zijn.”

[10]

14

Toen Subhuti het onderricht van deze soetra hoorde, begreep hij er ten volle het belang van. Wenend zei hij tot de Boeddha: “Het is wonderbaarlijk, Wereldvereerde, hoe de Verwezenlijkte zulk een diepe soetra onderricht. Ondanks alle inzicht dat ik sinds lang bereikt heb, heb ik nooit zulk een soetra te horen gekregen. Wereldvereerde, bij eender wie die deze soetra hoort en een zuiver geloof heeft, geeft dit aanleiding tot de manifestatie van de waarheid. Men moet weten dat zulke mensen de wonderbaarlijkste deugden verwezenlijken. Wereldvereerde, deze manifestatie van de waarheid is geen vorm. Daarom zegt de Verwezenlijkte dat het ‘de manifestatie van de waarheid’ genoemd wordt. Wereldvereerde, dat ik nu zulk een soetra te horen gekregen heb, hem geloof, hem begrijp, aanneem en bevat, mag niet als iets moeilijks gezien worden. Als er in de toekomst, in de laatste vijfhonderd jaar, mensen zijn die deze soetra te horen krijgen, hem geloven, begrijpen, aannemen en bevatten, dan zullen dat bijzonder zeldzame mensen zijn. Waarom? Deze mensen zullen geen beeld van een zelf hebben, geen beeld van een persoon, geen beeld van een wezen, geen beeld van iemand die het leven leeft. Waarom niet? Het beeld van een zelf is geen eigenschap, het beeld van een persoon, het beeld van een wezen en het beeld van iemand die het leven leeft zijn geen eigenschappen. Waarom niet? Onthecht van alle beelden worden ze ‘Boeddha’s’ genoemd.” De Boeddha zei tot Subhuti: “Zo is het, zo is het. Als er daarenboven mensen zijn die, als ze deze soetra te horen krijgen, niet geschokt zijn, bang of geïntimideerd zijn, weten we dat deze mensen uiterst zeldzaam zullen zijn. Waarom? Subhuti, de eerste volmaaktheid die door de Verwezenlijkte onderricht wordt, is niet de eerste volmaaktheid, ze wordt ‘de eerste volmaaktheid’ genoemd.[11]Subhuti, het volmaakte geduld als je beledigd wordt, zegt de Verwezenlijkte, is niet het volmaakte geduld als je beledigd wordt. Waarom, Subhuti? Het is net zoals toen ik lang geleden door koning Kali in stukken gesneden werd. In die tijd had ik geen beeld van een zelf, geen beeld van een persoon, geen beeld van een wezen en geen beeld van iemand die het leven leeft. Waarom niet? Als ik, toen ik in stukken gesneden werd, een beeld van een zelf, een beeld van een persoon, een beeld van een wezen of een beeld van iemand die het leven leeft, had, dan zou ik boos en haatdragend geworden zijn. Subhuti, ik herinner me ook dat ik in het verleden een wijze was die vijfhonderd generaties lang uitblonk in geduldige volharding, en in al die tijd had ik geen beeld van een zelf, geen beeld van een persoon, geen beeld van een wezen, geen beeld van iemand die het leven leeft. Daarom, Subhuti, moeten bodhisattva’s naar de verlichting streven, onthecht zijn van alle beelden. Ze mogen de geest die op vormen vertoeft niet activeren, ze mogen de geest die op geluiden, geuren, smaken, tastobjecten of gedachteobjecten vertoeft, niet activeren. Ze moeten de geest die nergens op vertoeft activeren. Als de geest ergens, waar dan ook, vertoeft, dan is dit een verblijfplaats. Daarom zegt de Boeddha dat de geest van bodhisattva’s niet op materie mag vertoefen als ze vrijgevig zijn. Subhuti, bodhisattva’s moeten op zulke manier geven dat ze alle wezens ten goede komen. De Verwezenlijkte, die uit het zo-zijn komt, zegt dat alle verschijnselen geen eigenschappen zijn en dat alle wezens geen wezens zijn. Subhuti, de Verwezenlijkte is iemand die oprecht spreekt, iemand die naar waarheid spreekt, iemand die spreekt zoals het is, iemand die spreekt zonder misleiding, die spreekt zonder tegenstellingen. Subhuti, de waarheid die door de Verwezenlijkte gerealiseerd werd, is werkelijkheid noch onwerkelijkheid. Subhuti, als bodhisattva’s het vrijgevige wegschenken beoefenen, terwijl hun geest op dingen vertoeft, dan zijn ze zoals mensen die in de duisternis lopen en niets zien. Als bodhisattva’s het vrijgevige wegschenken beoefenen, terwijl hun geest niet op dingen vertoeft, zijn ze als mensen met een gezichtsvermogen die in het zonlicht staan en allerlei soorten vormen en kleuren zien. Subhuti, als er in de toekomst goede mannen en goede vrouwen zijn die deze soetra kunnen aannemen en bevatten, hem lezen en reciteren, dan zal de Verwezenlijkte al deze mensen door de verlichte wijsheid kennen en zien. Ze zullen allemaal oneindige, grenzeloze deugden ontwikkelen.”

15

“Subhuti, stel dat er goede mannen en goede vrouwen zijn die ’s morgens uit vrijgevigheid zoveel lichamen weggeven als er zandkorrels in de Ganges zijn, ’s middags opnieuw uit vrijgevigheid zoveel lichamen weggeven als er zandkorrels in de Ganges zijn, en ook ’s avonds uit vrijgevigheid zoveel lichamen weggeven als er zandkorrels in de Ganges zijn, en op die manier uit vrijgevigheid lichamen blijven opgeven, ontelbare honderdduizenden miljarden miljoenen eonen lang. En stel nu dat er mensen zijn die deze soetra horen, hem geloven en zich er niet tegen verzetten. De verdiensten van deze laatste mensen overstijgen die van de eerste. Hoeveel te meer dan niet als ze de soetra kopiëren, aannemen en bevatten, hem lezen en reciteren en aan anderen uitleggen?   Kortom, Subhuti, deze soetra heeft onvoorstelbare, onmeetbare, grenzeloze deugden. De Verwezenlijkte onderricht hem aan wie zich op het grote voertuig begeeft.[12]Hij onderricht hem aan wie zich op het hoogste voertuig begeeft. Als er mensen zijn die hem kunnen aannemen en bevatten, lezen en reciteren en uitgebreid aan mensen kunnen uitleggen, kent en ziet de Verwezenlijkte al deze mensen. Elk van hen verwerft onmeetbare, onberekenbare, grenzeloze en onvoorstelbare deugden. Als gevolg daarvan dragen zulke mensen de onovertroffen volledige volmaakte verlichting van de Verwezenlijkte in zich. Waarom? Subhuti, wie genoegen neemt met een lager onderricht is gehecht aan de idee van een zelf, de idee van een persoon, de idee van een wezen, de idee van iemand die het leven leeft. Dus kunnen ze deze soetra niet horen en ontvangen, lezen of reciteren, of hem aan anderen uitleggen. Subhuti, waar deze soetra ook is, moet hij de steun krijgen van alle wezens, hemelse, menselijke en demonen. Je moet weten dat deze plaats een stoepa is die iedereen zou moeten eren, waarvoor iedereen zou moeten buigen, waar iedereen eerbiedig omheen zou moeten lopen en die iedereen zou moeten bestrooien met bloemen en parfums.”

16

“Daarenboven, Subhuti, als goede mannen en goede vrouwen die deze soetra aannemen, bevatten, lezen en reciteren, gekleineerd worden door anderen, dan zijn ze door hun wandaden uit het verleden in een ellendig bestaan beland. Maar omdat ze vandaag door anderen gekleineerd worden, worden hun wandaden uit het verleden gewist en zullen ze de onovertroffen volledige volmaakte verlichting bereiken. Subhuti, ik herinner me hoe ik in het verleden ontelbare eeuwen, in de aanwezigheid van Boeddha Dipankara, achthonderdveertigduizend miljarden triljoenen Boeddha’s ontmoette. Ik steunde en bediende elk van hen en miste daartoe geen enkele kans. Maar als er in het laatste tijdperk iemand deze soetra kan aannemen en bevatten en lezen en reciteren, dan zullen de deugden die hierdoor verwezenlijkt zijn zo groot zijn dat de deugden van mijn steun aan die Boeddha’s er geen honderdste deel van zullen uitmaken, nog geen triljoenste deel, zelfs geen deel dat in getallen of cijfers uit te drukken is. Subhuti, als ik de deugden volledig zou onderrichtten die verwezenlijkt worden door goede mannen en goede vrouwen die in het laatste tijdperk deze soetra aannemen en bevatten en lezen en reciteren, dan zouden de mensen die het hoorden geestelijk verstoord worden en het niet geloven. Subhuti, je moet weten dat het principe van deze soetra onvoorstelbaar is en dat zijn beloning ook onvoorstelbaar is.”

17

Toen zei Subhuti tot de Boeddha: “Wereldvereerde, als goede mannen en goede vrouwen de inspiratie voor de onovertroffen volmaakte volledige verlichting opgewekt hebben, hoe moeten ze dan leven? Hoe moeten ze dan hun geest overmeesteren? De Boeddha zei tot Subhuti: “Goede mannen en goede vrouwen die de inspiratie voor de onovertroffen volmaakte volledige verlichting opgewekt hebben, moeten deze houding ontwikkelen: ‘ik moet alle levende wezens door uitdoving bevrijden. Na alle levende wezens bevrijd te hebben, is er geen enkel levend wezen dat echt bevrijd werd door uitdoving.’ Waarom? Subhuti, als bodhisattva’s een beeld van een zelf, een beeld van een persoon, een beeld van een wezen of een beeld van iemand die het leven leeft hebben, dan zijn ze geen bodhisattva’s. Waarom? Subhuti, er is in werkelijkheid geen toestand die de inspiratie opwekt voor de onovertroffen volledige volmaakte verlichting. Subhuti, wat denk je? Was er toen de Verwezenlijkte bij Boeddha Dipankara was, een toestand waarin de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verworven werd?” “Nee, Wereldvereerde. Zoals ik de betekenis van wat de Boeddha zegt, begrijp, was er toen de Boeddha bij Dipankara Boeddha was geen toestand waarin de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verworven werd.” De Boeddha zei: “zo is dat, zo is dat. Subhuti, in werkelijkheid is er geen toestand waarin de Verwezenlijkte de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwierf. Subhuti, als er een toestand zou zijn waarin de Verwezenlijkte de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwierf, dan zou Dipankara me niet voorspeld hebben: ‘In de toekomst zul je een Boeddha zijn die Shakyamuni heet.’ Omdat er in werkelijkheid geen toestand was waarin ik de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwierf, voorspelde Boeddha Dipankara me: ‘in de toekomst zul je een Boeddha zijn die Shakyamuni heet.’ Waarom? Omdat de verwezenlijking van de Verwezenlijkte de betekenis van het zo-zijn van alle dingen is. Als iemand zegt dat de Verwezenlijkte de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwezenlijkt heeft, Subhuti, dan is er eigenlijk niet zoiets als de Boeddha die de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwezenlijkt. Subhuti, in de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwezenlijkt door de Verwezenlijkte is er werkelijkheid noch onwerkelijkheid. Daarom zegt de Verwezenlijkte dat alle dingen het onderricht van de Boeddha zijn. Subhuti, ‘alle dingen’ zijn geen dingen. Daarom worden ze ‘alle dingen’ genoemd. Subhuti, het is net zoals iemand die bijvoorbeeld een groot lichaam heeft.”[13]Subhuti zei: “Wereldvereerde, de Verwezenlijkte zegt dat iemand die een groot lichaam heeft, niet groot belichaamd is, maar ‘groot belichaamd’ genoemd wordt.” “Subhuti, bodhisattva’s zijn ook zo. Als ze zeggen: ‘ik zal ontelbare levende wezens bevrijden’, mogen ze geen ‘bodhisattva’s’ genoemd worden. Waarom? Subhuti, in werkelijkheid is er niet zoiets als een ‘bodhisattva’. Daarom zegt de Boeddha dat alle dingen geen zelf, geen persoon, geen wezen en niet iemand die het leven leeft hebben. Subhuti; als bodhisattva’s zeggen: ‘Ik zal een Boeddhaland tooien’, mogen ze geen ‘bodhisattva’s’ genoemd worden. Waarom? De Verwezenlijkte zegt dat Boeddhalanden tooien geen tooi is, het wordt ‘tooi’ genoemd. Subhuti, als bodhisattva’s de zelfloosheid verwezenlijken, zegt de Verwezenlijkte, dan zijn ze ware bodhisattva’s.”

18

“Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte het fysieke oog?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft het fysieke oog.” “Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte het hemelse oog?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft het hemelse oog.” “Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte het oog van de wijsheid?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft het oog van de wijsheid.” “Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte het oog van de werkelijkheid?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft het oog van de werkelijkheid.” “Subhuti, wat denk je? Heeft de Verwezenlijkte het verlichte oog?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte heeft het verlichte oog.”[14]”Subhuti, wat denk je? Zegt de Boeddha dat de zandkorrels in de Ganges zand zijn?” “Ja, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte zegt dat ze zand zijn.” “Subhuti, wat denk je? Als er zoveel Gangessen zouden zijn als zandkorrels in de Ganges, zouden boeddhawerelden die zo talrijk zijn als de zandkorrels in al die Gangessen talrijk zijn?” “Heel talrijk, Wereldvereerde.” De Boeddha zei tot Subhuti: “De vele geestestoestanden van de vele wezens in die vele werelden zijn allemaal gekend door de Verwezenlijkte. Waarom? De Verwezenlijkte zegt dat deze geesten geen geest zijn, ze worden ‘geest’ genoemd. Waarom? Subhuti, de voorbije geest kan niet gegrepen worden, de huidige geest kan niet gegrepen worden en de toekomstige geest kan niet gegrepen worden.”

19

“Subhuti, wat denk je? Als iemand het heelal met waardevolle edelstenen zou vullen om vrijgevig weg te schenken, zou deze persoon hierdoor dan veel verdiensten verwerven? “Ja, Wereldvereerde, deze persoon zou hierdoor heel veel verdiensten verwerven.” “Subhuti, als verdiensten substantie hadden, zou de Verwezenlijkte niet zeggen dat er veel verdiensten verworven worden. Omdat de verdiensten onbestaand zijn, zegt de Verwezenlijkte dat er veel verdiensten verworven worden.”

20

“Subhuti, wat denk je? Kan de Boeddha gezien worden door zijn volmaakte fysieke lichaam?” “Neen, Wereldvereerde. De Verwezenlijkte kan niet gezien worden door zijn volmaakte fysieke lichaam. Waarom? De Verwezenlijkte zegt dat het volmaakte fysieke lichaam geen volmaakt fysiek lichaam is. Het wordt een ‘volmaakt fysiek lichaam’ genoemd.” “Subhuti, wat denk je? Kan de Verwezenlijkte gezien worden door het volle complement van de onderscheidende tekens?” “Nee, Wereldvereerde, de Verwezenlijkte kan niet gezien worden door het volle complement van de onderscheidende tekens. Waarom? De Verwezenlijkte zegt dat het volle complement van de onderscheidende tekens niet het volle complement van de onderscheidende tekens is. Het wordt ‘het volle complement van de onderscheidende tekens’ genoemd.”

21

“Subhuti, zeg niet dat de Verwezenlijkte deze gedachte onderhoudt: ‘Ik moet een doctrine prediken.’ Onderhoud deze gedachte niet. Waarom? Als iemand zegt dat de Verwezenlijkte een doctrine heeft om te prediken, dan belastert hij de Boeddha en begrijpt hij niet wat ik zeg. Subhuti, de verklaring van het onderricht is dat er geen doctrine is om te prediken. Dat wordt ‘onderricht’ genoemd.” Op dat moment vroeg Subhuti, wiens leven wijsheid was, aan de Boeddha: “Wereldvereerde, als levende wezens dit onderricht in de toekomst horen, zullen ze het dan geloven of niet?” De Boeddha zei tot Subhuti: “Zij zijn geen levende wezens, maar geen niet-levende wezens. Waarom? Subhuti, de Verwezenlijkte zegt dat levende wezens geen levende wezens zijn, ze worden ‘levende wezens’ genoemd.”

22

Subhuti zei tot de Boeddha: “Wereldvereerde, toen de Boeddha de onovertroffen volledige volmaakte verlichting verwierf, is dat dan omdat er niets verworven werd? De Boeddha zei: “Zo is dat. Zo is dat. Subhuti, er viel voor mij absoluut niets, wat dan ook, te verwerven, in de onovertroffen volledige volmaakte verlichting. Dit wordt ‘de onovertroffen volledige volmaakte verlichting’ genoemd.

23

“Daarenboven, Subhuti, is deze werkelijkheid onbevooroordeeld. Ze kent hoog noch laag. Dit wordt ‘de onovertroffen volmaakte volledige verlichting’ genoemd. Wie alle goede wegen beoefent zonder zelf, zonder persoon, zonder wezen en zonder iemand die het leven leeft, zal de onovertroffen volmaakte volledige verlichting verwezenlijken. Subhuti, de Verwezenlijkte zegt dat de zogenaamde goede wegen geen goede wegen zijn, ze worden ‘goede wegen’ genoemd.”

24

“Subhuti, als iemand uit een miljard werelden zulke grote bergen juwelen als de berg Sumeru nam en die vrijgevig wegschonk, dan zouden de verdiensten daarvan niet vergelijkbaar zijn met een honderdste deel, een honderd triljoenste deel, of zelfs niet met een berekenbaar of voorstelbaar deel van de verdiensten zelfs maar één vierregelig vers van de soetra van de volmaakte wijsheid aan te nemen, te bevatten, te lezen, te reciteren en aan anderen uit te leggen.”

25

“Wat denk je, Subhuti? Je moet niet denken dat de Verwezenlijkte deze gedachten onderhoudt: ‘Ik moet levende wezens bevrijden.’ Subhuti, denk zo niet. Waarom? Er zijn eigenlijk geen levende wezens die de Verwezenlijkte bevrijdt. Als er wezens waren die de Verwezenlijkte bevrijdt, dan had de Verwezenlijkte een zelf, een persoon, een wezen en iemand zijn die het leven leeft. Subhuti, de Verwezenlijkte zegt dat een zelf hebben niet een zelf hebben is. Toch denken gewone mensen dat ze een zelf hebben. Subhuti, de Verwezenlijkte zegt dat gewone mensen geen gewone mensen zijn, maar dat ze ‘gewone mensen’ genoemd worden.”

26

“Subhuti, wat denk je? Kun je de Verwezenlijkte zien in termen van de tweeëndertig tekens?” Subhuti zei: “Zo is dat. We zien de Verwezenlijkte in termen van de tweeëndertig tekens.” De Boeddha zei: “Als je de Verwezenlijkte in termen van de tweeëndertig tekens kon zien, dan zou een wetgevende wijze heerser de Verwezenlijkte zijn.” Subhuti zei tot de Boeddha: “Wereldvereerde, zoals ik de betekenis van wat de Boeddha zegt begrijp, mogen we de Verwezenlijkte niet zien in termen van de tweeëndertig tekens.” Op dat punt zei de Wereldvereerde in vers: Wie mij in vormen ziet, of naar me zoekt in geluid, bewandelt een fout pad en ziet de Verwezenlijkte niet.

27

“Subhuti, als je omwille van de volmaakte manifestatie, de gedachte onderhoudt dat de Verwezenlijkte geen onovertroffen volmaakte volledige verlichting bereikt, dan moet je niet zo denken. Subhuti, als je de gedacht onderhoudt dat wie naar de onovertroffen volmaakte volledige verlichting streeft, zegt dat de dingen opgeheven worden, dan moet je niet zo denken. Waarom? Wie naar de onovertroffen volmaakte volledige verlichting streeft, zegt niet dat de dingen opgeheven worden.”

28

“Subhuti, stel je voor dat een bodhisattva zoveel juwelen verzamelde dat ze evenveel werelden vulde als er zandkorrels in de Ganges zijn, en dat hij die vrijgevig wegschonk. Stel je nu voor dat iemand anders de zelfloosheid van alle dingen kende en de geduldige verdraagzaamheid bereikte. Deze bodhisattva zou de verdiensten die de eerste bodhisattva bereikte overstijgen. Waarom? Subhuti, omdat bodhisattva’s geen verdiensten aannemen. Subhuti, de verdiensten voortgebracht door bodhisattva’s zouden geen objecten van verlangens en gehechtheid mogen zijn. Daarom wordt gezegd dat ze geen verdiensten aannemen.”

29

“Subhuti, als iemand zegt dat de Verwezenlijkte komt of gaat, zit of ligt, dan begrijpt deze persoon het principe dat ik onderricht niet. Waarom? De Verwezenlijkte komt nergens vandaan en gaat nergens heen, daarom wordt hij ‘de Verwezenlijkte’ genoemd.”

30

“Subhuti, als een goede man of een goede vrouw het heelal met zijn miljarden werelden tot atomen zou verpulveren, denk je dan dat er dan veel van die atomen zouden zijn?” “Subhuti zei: “Heel veel, Wereldvereerde. Waarom? Als deze atomen echt bestonden, zou de Boeddha niet zeggen dat ze een massa atomen waren. Waarom? De Boeddha zegt dat een massa atomen geen massa atomen is, het wordt ‘een massa atomen’ genoemd. Wereldvereerde, het heelal met zijn miljarden werelden waarover de Verwezenlijkte spreekt, is geen heelal, het wordt ‘een heelal’ genoemd. Waarom? Als het heelal echt bestond, zou het een samenstelling zijn. Maar de Verwezenlijkte zegt dat een samenstelling geen samenstelling is. Ze wordt ‘een samenstelling’ genoemd.” “Subhuti, de samenstelling is niet uit te drukken, maar gewone mensen banen zich begerig een weg naar hun zaken.”[15]

31

“Subhuti, als iemand zegt dat de Boeddha de idee onderricht van een zelf, van een persoon, van een wezen, van iemand die het leven leeft, denk je dan dat deze persoon de principes die ik onderricht, begrijpt?” “Wereldvereerde, deze persoon begrijpt de principes die de Verwezenlijkte onderricht niet. Waarom niet? De Wereldvereerde zegt dat de idee van een zelf, van een persoon, van een wezen, van iemand die het leven leeft, geen idee is van een zelf, van een persoon, van een wezen, van iemand die het leven leeft. Ze worden ‘een idee van een zelf’, ‘een idee van een persoon’, ‘een idee van een wezen’, ‘een idee van iemand die het leven leeft’ genoemd.” “Subhuti, wie naar de onovertroffen volledige volmaakte verlichting streeft, moet alle waarheden op deze manier weten, zien en geloven en mag zich geen idee vormen van hoe de waarheid verschijnt. Subhuti, de Verwezenlijkte zegt dat de zogenaamde ‘verschijning van de waarheid’ niet kenmerkend is voor de waarheid. Het wordt ‘het kenmerk van de waarheid’ genoemd.”

32

“Subhuti, stel dat iemand oneindig, ontelbaar veel werelden met edelstenen vulde en die gebruikte om vrijgevig weg te schenken. Stel nu dat een goede man of een goede vrouw die de inspiratie tot de verlichting opgewekt heeft, deze soetra bevat, zelfs maar een vierregelig vers aanneemt, bevat, leest, reciteert en aan anderen onderricht. De verdiensten hiervan zouden die van de eerste overtreffen. Hoe onderricht je de soetra aan anderen? Door niet te grijpen naar vormen, niet te wijken van het zo-zijn zoals het is. Waarom? Alle geschapen dingen zijn als dromen, illusies, luchtbellen, schaduwen, als dauw en als de bliksem. Zo moeten ze bekeken worden.” Nadat de Boeddha deze soetra gesproken had, waren ze allemaal – zowel de oudere leerling Subhuti, als de monniken, nonnen, leken, engelen, mensen en demonen uit alle werelden, nadat ze gehoord hadden wat de Boeddha zei, verrukt van vreugde. Ze geloofden het, namen het aan, werkten eraan en brachten het in de praktijk.


[1] De Diamantsoetra werd niet door de historische Boeddha uitgesproken en is een latere tekst. Toch legden de anonieme auteurs van dit soort teksten hun onderricht toch in de woorden van de Boeddha, om aan te geven dat ze hiermee de essentie en de oorspronkelijke kracht van het Boeddhaonderricht weer nieuw leven wilden inblazen, nadat het in de loop van de eeuwen aan souplesse en inspiratie begon in te boeten.

[2] Het eerste thema van de Diamantsoetra: geen enkel zelfbeeld geloven. Zie link artikel.

[3] Tweede thema van de Diamantsoetra: actief het juiste beoefenen (vrijgevigheid, ethische zelfdiscipline, geduld, inspanning, concentratie en wijsheid) zonder op verdiensten te jagen.

[4] Derde thema van de Diamantsoetra: de aard van de ‘leegte’, geformuleerd als ‘x is niet x, daarom noemen we het x’. Zie link artikel.

[5] Dit zijn de vier stadia van een degelijke beoefening volgens de oude school van het boeddhisme en die voornamelijk uigedrukt worden als ideaal van niet meer herboren te moeten worden. In de Diamantsoetra is het belangrijker om je geen enkel resultaat toe te eigenen, omdat dat meteen toont dat je gehecht bent aan een zelfbeeld.

[6] Boeddha Dipankara is een mythische Boeddha uit het verleden, een leraar van de historische Boeddha in één van zijn vorige levens.

[7] Nog een element uit het oude Indiase wereldbeeld; de verdiensten van grote beoefenaars leidde tot het ontstaan van landen of werelden waar een Boeddha geboren werd en onderricht kon geven. Los van de mythische invulling gaat dit over het effect van een boeddhistische praktijk op de concrete wereld. Een bodhisattva zet zich niet zozeer in om uit de wereld te verdwijnen, maar om Boeddha’s te laten leven in de wereld.

[8] Meru was in de oude Indiase kosmologie het centrum van de wereld. Aan onze kant van de wereld was zijn flank blauw, en daarom is onze hemel blauw. Hier staat hij vooral symbool voor de term ‘groot’. In absolute zin verschillen klein en groot niet en staat ‘een groot lichaam’ niet voor iemand die groot is, maar voor het feit dat we in niets gescheiden zijn van de rest van het heelal.

[9] Hoewel de Boeddha geen hulp van goden of engelen verwachtte, heef hij zich ook nooit beziggehouden met het ontkennen van hun bestaan. Nadien nam het boeddhisme van andere culturen ook elementen over als het in andere landen ingang vond. Net zoals het westerse boeddhisme graag laat zien dat het in overeenstemming is met westerse verworvenheden, waarden en wereldbeelden.

[10] Voor een interpretatie van deze sectie, zie link artikel.

[11] De eerste paramita of deugd van de bodhisattva: vrijgevigheid.

[12] Grote voertuig ‘mahayana): benaming voor de stroming waaruit deze soetra voortkwam. Zie woordenlijst mahayana.

[13] Zie sectie 10.

[14] Deze zogenaamde ‘vijf ogen’ zijn benamingen voor vijf manieren waarop een beoefenaar naar de wereld kan zijn. Zie woordenlijst vijf ogen.

[15] Voor een interpretatie van deze sectie, zie link artikel.

Download Pdf

Hannya Shingyo

12 januari 2009

Inleiding

We hebben in onze sangha de gewoonte om onze ceremonie te zingen in het Chinees en het Japans. Niet alleen omdat we een internationale sangha zijn, maar zeker om van de ceremonie in de eerste plaats een eenvoudige handeling te maken eerder dan een moment om ons hoofd te breken over boeddhistische teksten. En voor de Hannya Shingyo is dat zeker meegenomen, want zonder begeleidende voetnoten kom je uit deze superbeknopte samenvatting van de filosofie van de leegte niet heel ver.

Ook in deze korte inleiding kunnen we niet al te diep ingaan op de rijke inhoud van deze tekst. Wie er zich in wilt verdiepen kan in de dojo de commentaren van Dogen, Deshimaru en Yuno Rech krijgen.

Maar voor wie ongeduldig is: de Maka Hannya Haramita Shingyo, of de Kern van de Soetra van de Immense Wijsheid die de Andere Oever Bereikt Heeft – of kortweg de Hartsoetra – is een klassieke mahayanaboeddhistische tekst die in heel kernachtige bewoordingen de visie van de leegte (sunyata, ku) samenvat. Het is een dialoog tussen de symbolische bodhisattva van het mededogen Avalokitesvara (Kanjizai bosatsu) en Sariputra (Sharishi), waarin Avalokitesvara uitlegt dat als je werkelijk inziet dat geen enkel verschijnsel ontsnapt aan de leegte (het feit dat elk bestaan niets anders is dan een bestaan in onderlinge afhankelijkheid en dus tijdelijk en fundamenteel ongrijpbaar), het echte Boeddhawerk kan beginnen: lijdende wezens helpen te ontwaken. De Hannya Shingyo is heel kort en bijna in stenoschrift opgesteld, zodat in deze enkele regels de tekst de leegte verkondigt van elk element van onze persoonlijkheid, van alle fysische verschijnselen én van de hele boeddhistische leer. Als climax klinkt het woord dat voor Dogen, Deshimaru en Yuno Rech centraal staat: mushotoku: een beoefening die niet opgesloten is in een verwachtingspatroon, zelfs niet in dat van ‘de andere oever’ van nirvana.

 

Gereciteerde tekst

 

Kan ji zai bo satsu. Gyo jin han-nya ha ra mi ta ji. Sho ken go un kai ku. Do is-sai ku yaku. Sha ri shi. Shiki fu i ku. Ku fu i shiki. Shiki soku ze ku. Ku soku ze shiki. Ju so gyo shiki. Yaku bu nyo ze.

Sha ri shi. Ze sho ho ku so. Fu sho fu metsu. Fu ku fu jo. Fu zo fu gen. Ze ko ku chu. Mu shiki mu ju so gyo shiki. Mu gen ni bi zes-shin ni. Mu shiki sho ko mi soku ho. Mu gen kai nai shi mu i shiki kai. Mu mu myo yaku mu mu myo jin. Nai shi mu ro shi. Yaku mu ro shi jin. Mu ku shu metsu do. Mu chi yaku mu toku. I mu sho toku ko.

Bo dai sat-ta. E han-nya ha ra mi ta ko. Shin mu kei ge mu kei ge ko. Mu u ku fu. On ri is-sai ten do mu so. Ku gyo ne han. San ze sho butsu. E han-nya ha ra mi ta ko. Toku a noku ta ra san myaku san bo dai. Ko chi han-nya ha ra mi ta. Ze dai jin shu. Ze dai myo shu. Ze mu jo shu. Ze mu to do shu. No jo is-sai ku. Shin jitsu fu ko. Ko setsu han-nya ha ra mi ta shu. Soku setsu shu watsu.

Gya tei, gya tei ha ra gya tei. Hara so gya tei bo ji sowa ka.

Han-nya shin gyo.

 

Vertaling

 

De bodhisattva van het mededogen ziet door zijn diepe beoefening van de grote wijsheid dat de bestanddelen van ons zelf[1] niets dan leegte zijn, en door dat begrip verlicht hij alle lijden. Sariputra, de vormen (shiki) verschillen niet van de leegte (ku) en de leegte verschilt niet van de vormen. Shiki is zelf ku, ku is zelf shiki. Dat geldt ook voor de gewaarwordingen, de waarnemingen, de mentale constructies en het bewustzijn.

Sariputra, alle bestaansvormen worden gekenmerkt door ku. Ze worden niet geboren en sterven niet, ze zijn niet zuiver en niet bezoedeld, ze nemen niet toe en niet af. Dus in ku is er geen vorm, geen gewaarwording, geen waarneming, geen mentale constructie, geen bewustzijn; er is geen oog, geen oor, geen neus, geen tong, geen lichaam en geen bewustzijn; er is geen kleur, geen geluid, geen smaak, niets tastbaars, geen gedachte; dus in ku bestaat het domein van de zintuigen niet. Er is geen onwetendheid en geen ophouden van onwetendheid. Er is geen ouderdom en dood, en geen ophouden van ouderdom en dood.[2] Er is geen lijden, geen oorzaak, geen ophouden, geen pad.[3] Er is geen wijsheid, geen verwerven en geen niet-verwerven (mushotoku).

Dankzij de grote wijsheid die naar de overkant leidt, kent de onbelemmerde geest van de bodhisattva geen angst en zijn alle gehechtheden uit de weg geruimd. Hij kan tot het ultieme doel komen: het nirvana. Alle vroegere, huidige en toekomstige Boeddha’s beoefenen de grote wijsheid en bereiken zo het meest volmaakte ontwaken. Dus moeten we begrijpen dat hannya haramita de grootste, schitterendste en meest lichtende mantra is, de hoogst verheven van alle mantra’s, onvergelijkbaar. Zijn kracht snijdt alle lijden door. Dit is de waarachtige mantra, waardoor we de essentie van alle waarheid kunnen bereiken:

Gaan, gaan, samen voorbij de overkant gaan, tot aan de totale verwezenlijking van de Weg.


[1]              De vijf skandha’s: lichaam, gewaarwordingen, waarnemingen, impulsen en bewustzijn.

[2]              Onwetendheid en ouderdom-en-dood zijn de eerste en laatste schakel van de ‘twaalf oorzaken’, een klassieke voorstelling van het feit dat alles veroorzaakt en geconditioneerd is, één van de basiselementen van de dharma. Zie innen.

[3]              De vier edele waarheden, de eerste uiteenzetting van de Boeddha na zijn ontwaken.

De diamant in de diamant in de diamant door Tom Shoden Hannes

12 januari 2009

Inleiding

Samen met de Hannya Shingyo is de Diamantsoetra één van de meest beroemde maar ook meest gecondenseerde teksten in het boeddhisme. Het zijn beide samenvattingen van dePrajnaparamitasoetra en als zodanig wordt de Diamantsoetra ook wel de Prajnaparamitasoetra in 300 verzen genoemd. Letterlijk zouden we dat kunnen vertalen als: De soetra van de wijsheid die in driehonderd verzen op de andere over aankomt. Klinkt niet slecht. Dat is alvast wat de vroege Chinese zenmeesters ervan dachten en sinds Konin en Eno wordt de Diamantsoetra in de hele zenwereld als een centrale tekst aangehaald. Althans toch de titel en een occasioneel citaat. Maar als wij, 21ste-eeuwse Europeanen het hele ding echt proberen te lezen, merken we vaak dat we wat verveeld zitten (om niet te zeggen dat we ons te pletter vervelen) bij de vele  herhalingen in deze tekst die nota bene een samenvatting hoort te zijn. Na een paar bladzijden vragen we ons misschien af of we die andere oever niet in wat minder verzen kunnen bereiken, zonder dat de boodschap elke keer weer opnieuw geherformuleerd moet worden. Maar klopt dat wel? Laten we die herhalingen eens goed bekijken. Zijn het echt herhalingen? Van dichterbij bekeken lijkt de Diamantsoetra meer op een fijn geslepen diamant waarvan de verschillende vlakken één realiteit verschillende keren weerspiegelt, telkens vanuit een lichtjes andere hoek. En dat maakt een verschil. Het betekent bijvoorbeeld dat de Diamantsoetra niet zozeer zijn boodschap door onze strot probeert te rammen door ze domweg heel erg vaak te herhalen. De geschakeerde verschijningsvormen lijken eerder een waarschuwing te zijn tegen het idee dat de boodschap van de soetra te evident is om er lang bij stil te staan. Nog niet zo lang geleden hoorde ik een non de Diamantsoetra “zo vanzelfsprekend” noemen  dat er niets over te vertellen was. Maar misschien werd dit soort van soetra’s net geschreven tegen zulke conclusies! Toen ik bijvoorbeeld een workshop van vijf dagen in Maredsous en la Gendronnière begeleidde over de Diamantsoetra, zijn we telkens niet verder geraakt dan hoofdstuk 14. Dat is minder dan de helft van de tekst. En nee, we hebben geen tijd verloren met intellectueel geleuter of emo-uitbarstingen. Deze soetra zit gewoonweg stampvol met enthousiasme over de boeddhistische weg en elke passage schittert als een facet van een diamant die met liefde geslepen werd, die nooit ophoudt met ons telkens weer een andere kijk te bieden op zijn boodschap. Andere belangrijke mahayanateksten zoals de Lotussoetra, de Vimalakirtisoetra en de Avatamsakasoetra gebruiken folklore, poëzie, verhalen en mythologie om ons te bevrijden uit een versuffend gevoel van routine of een vernauwend  ‘gezond’ verstand. De Diamantsoetra gebruikt eerder een kubistische aanpak tegen de vaste visies op wat we zo evident beschouwen in ons leven, in het boeddhistische onderricht en in onze eigen zazen, dat we het onze aandacht niet meer waard achten. Vanuit dit standpunt ben ik op zoek gegaan naar een mogelijke leesstructuur voor de Diamantsoetra. Ik wil hier helemaal geen historisch of exegetisch correcte tekstlezing claimen. Dit artikel is niet meer dan een poging om de vele facetten van de diamant in verband te brengen met onze beoefening, ons leven en mogelijk misleidende neigingen in onze omgang met de dharma. Dat is op zich natuurlijk al een flinke claim, besef ik, en daarom wil ik benadrukken dat dit artikel hooguit een korte schets is van iets dat ongetwijfeld nog uitgewerkt en misschien verbeterd moet worden. Met dat allemaal in het achterhoofd, zouden we de soetra als volgt kunnen lezen:

  • 1. Subhuti’s vraag (sectie 1-2)
  • 2. De eerste weergave van het onderricht na Subhuti’s vraag (3-13)

Inhoud van het onderricht (3-5) Aard van het onderricht (6-13)

  • 3. De tweede weergave na Subhuti’s verlichting (14-16)

Subhuti formuleert zijn inzicht (14) Verdere uitwerking van het onderricht (14-16)

  • 4. De derde weergave na de herhaalde vraag van Subhuti(17-31)

Alle dingen zijn het onderricht van de Boeddha (17-21) Het onderricht van de Boeddha is geen nihilisme (22-26) Het onderricht van de  Boeddha is geen fysica (27-31)

  • 5. Conclusie (32)

 

1. Subhuti’s vraag (sectie 1-2)

Het onderricht van de Diamantsoetra wordt uitgelokt door een vraag van een leerling van de Boeddha, Subhuti: Hoe moeten bodhisattva’s, gericht op het ontwaken, leven? In een andere vertaling is de vraag hoe ze vooruitgang moeten maken, hoe ze hun gedachten kunnen beheersen? Voor wie denkt dat soetra’s te theoretisch en dus ‘niet zen’ zijn: dit gaat over het concrete leven, ons concrete leven, in geest en in actie. Tenminste als we bezield zijn door de geest van de bodhisattva, die de beoefening niet gebruikt om te verdwijnen in een gezellig, vrijblijvende toestand, maar om de Boeddhageest in de wereld uit te stralen. ‘Bodhisattva’ wordt vaak vertaald als verlicht wezen, maar we zouden net zo goed kunnen spreken van een verlichtend wezen of zelfs van een verlichtende held. Subhuti’s vraag gaat over het actieve leven bezield door de geest van het ontwaken (bodaishin), de wezenlijke voorwaarde om de zen te kunnen beoefenen als een pad van bevrijding. Met andere woorden, Subhuti vraagt hier om niet minder dan om een complete beschrijving van de mahayanaweg. De Boeddha, altijd klaar om een goede vraag te beantwoorden, zal hem niet één maar drie beschrijvingen geven. Hij zal hetzelfde antwoord telkens vanuit een andere hoek belichten. In de laatste hoofdstukken van de soetra zullen die hoeken blijven verschuiven en wordt de lezer een duizelingwekkend schitterend spektakel voorgeschoteld: een tollende diamant in een weidse ruimte.

2 De eerste uiteenzetting van het onderricht na Subhuti’s vraag (secties 3-13)

Het eerste antwoord op de vraag van Subhuti wordt in twee delen gegeven. Het eerste deel behandelt de inhoud van het onderricht en het tweede benadrukt de gevolgen daarvan voor de aard van het onderricht. Inhoud van het onderricht (secties 3-5) Voor de fans van compacte antwoorden: de korte secties 3, 4 en 5 bevatten de hele inhoud van de soetra. Sectie 3 gaat over muga (niet-zelf), sectie 4 behandelt verdienstelijke actie (paramita’s) en sectie 5 pakt ku (de leegte) aan. Dit op enkele bladzijden en in alle helderheid. Sectie 3 over muga is bekend en wordt vaak herhaald in de dojo of op sesshins (meerdaagse zenstages): een bodhisattva zou niet gehecht mogen zijn aan “het beeld van een zelf (atman), van een persoon (pudgala), van een wezen (sattva) of van iemand die het leven leeft (jiva).” Dit is simpelweg  een boeddhistisch basisonderricht. Het concept van een substantieel zelf zorgt voor een spanning met onze concrete ervaring dat alles onbestendig en fragiel is. Op deze spanning reageren we doorgaans met onhandige reacties die lijden uitlokken. Die onhandige reacties versterken zichzelf en zijn geneigd om ons leven en onze geest over te nemen, wat ons in de cyclus van samsara geketend houdt. De vier termen voor dit idee van een zelf (atman, pudgala, sattva, jiva) verwijzen naar verschillende pogingen in de boeddhistische gemeenschap om na de dood van de Boeddha toch op de één of andere manier een plaatsje voor een vast zelf of ziel te bewaren. De Diamantsoetra stelt zich hier heel duidelijk op: het maakt niet uit hoe je je poging noemt om een substantieel zelf uit je ervaringen te destilleren, een bodhisattva kijkt er los doorheen. Dit is inzicht nummer één in het hele boeddhisme en dus ook voor alle bodhisattva’s. Maar wellicht is deze nadruk op zelfloosheid niet alleen nodig om de gevaren van zelfzucht te vermijden. Muga kan ook een mogelijke bodhisattva-valkuil uit de weg ruimen. Immers, als bodhisattva’s beoefenaars zijn die hun leven wijden aan het redden van alle wezens, zouden ze in hun activistische enthousiasme kunnen voorbijgaan aan het feit dat al deze wezens ook geen zelf hebben. De beoefening van hulp en vrijgevigheid hoort hand in hand te gaan met de contemplatie van muga en ku. Maar dat betekent net zo goed dat muga en ku hand in hand horen te gaan met een actieve hulp aan alle wezens. Die laatste conclusie is het tweede thema van de soetra, die in de volgende sectie 4 aangeboord wordt. Deze sectie heeft het over hulpvaardige actie, met name vrijgevigheid, de eerste van de paramita’s of deugden. In gecondenseerde teksten zoals deze kunnen we er gerust van uitgaan dat als er één paramita genoemd wordt, de vijf andere (ethisch gedrag, geduld, energie, concentratie en wijsheid) meteen verondersteld worden. Dit zijn allemaal verdienstelijke acties die goed karma voortbrengen, en  ook dat is een hoofdthema in het vroege boeddhisme. ‘Heilzame’ daden, begaan vanuit een goede intentie, hebben goede gevolgen voor wie ze begaat, net zoals schadelijke daden begaan vanuit slechte intenties de dader zuur zullen opbreken. Los van hoe je de juiste mechanismen van karma en reïncarnatie interpreteert, lijkt de nadruk erop in de loop van de boeddhistische geschiedenis ook altijd noodzakelijk te zijn geweest om te vermijden dat het onderricht van de zelfloosheid verward wordt met een nihilistische ethiek waarin ‘alles moet kunnen’. Het boeddhisme beoefenen is de  volle verantwoordelijkheid nemen over de immense hoeveelheid vrijheid die we hebben om onze ware Boeddhanatuur te manifesteren en die over de wereld te laten schitteren, zodat iedereen ervan kan genieten. De valkuil van verdiensten is echter dat onze grijpende geest ze zo graag probeert vast te houden. En inderdaad, in de loop van de geschiedenis riskeerde het boeddhistische bevrijdingspad telkens weer herleid te worden tot niets anders dan een jacht op verdiensten: een beter hiernamaals, wellness, persoonlijke ontwikkeling of zelfs een nieuwe auto. Precies deze herleiding, deze beperking van de beoefening werd in mahayanakringen bekritiseerd als hinayana, letterlijk ‘van walgelijke kwaliteit’, net omdat ze voorbijschiet aan de essentie, de bevrijdende werking van de dharma. Daarom, zegt de Diamantsoetra, mag een bodhisattva niet gehecht zijn aan eender welke verdienste en moet hij toch voortdurend verdienstelijke daden stellen. Dit veronderstelt een dubbele visie op de realiteit – en dat is het derde thema van de soetra. Dat derde thema krijgen we meteen gepresenteerd in sectie 5, meer bepaald in de formule die in de hele Diamantsoetra terug te vinden zal zijn: ‘X is niet x, (en daarom) wordt het x genoemd.’ Op de plaats van de x kan werkelijk alles ingevuld worden. Het lijkt wel alsof de soetra van meet af aan de universele draagwijdte van de formule wil duidelijk maken, want ze wordt meteen gevuld met niets anders dan het lichaam van de Boeddha zelf: de eigenschappen van een Boeddhalichaam zijn geen eigenschappen van een Boeddhalichaam, we noemen het de eigenschappen van een Boeddhalichaam.’ Dat is straffe kost. Het blaast ons vandaag wellicht niet meteen van onze sokken, maar voor Indiërs uit de eerste eeuwen van onze jaartelling was een Boeddhalichaam een behoorlijk heilig ding. Boeddha’s werden verondersteld tweeëndertig speciale tekens te vertonen waarin hun verlichte toestand bleek. Als de Diamantsoetra stelt dat deze tekens niet echt tekens zijn, maar ‘tekens’ genoemd worden, zegt hij helemaal niet dat ze niet bestaan –  dat zou voor Indiërs in die tijd complete nonsens geweest zijn – maar dat ook de allerheiligste verschijnselen leeg zijn. Ze zijn niet reëler of substantiëler dan wat anders. Vandaag zouden we dat wellicht anders stellen. In onze door gezondheid geobsedeerde cultuur zou dit bijvoorbeeld kunnen klinken als: De energie en de gezondheid die uit meditatie te krijgen is, is geen energie of gezondheid, we noemen het ‘energie’ en ‘gezondheid’. Of een shiho (meestertitel) is geen shiho het wordt ‘een shiho’ genoemd. Dat is de zogenaamde eerste visie op de realiteit, waarin benadrukt wordt dat alles, ook wijzelf, onze verdiensten en verwezenlijkingen, alles wat we van de dharma begrijpen even onsubstantieel, onbestendig en compleet onderling afhankelijk is als onze illusies en onze wandaden. Die vaststelling noemen we ‘de absolute waarheid’, de visie van de leegte of ku: verschijnselen zijn een moment van voorwaardelijk samengesteld ontstaan, het zijn geen afgescheiden dingen. Daarmee is niet gezegd dat ze niet bestaan. De absolute visie gaat immers net over de manier waarop ze bestaan. De tweede of ‘relatieve visie’ benadrukt de andere kant van de medaille: we ervaren die lege verschijnselen wel degelijk en we reageren erop. Die reactie kan heilzaam of onheilzaam zijn, minder of meer lijden veroorzaken, minder of meer bevrijding uitlokken. En daarom is het best handig om die verschijnselen te benoemen. Dat werkt gemakkelijker. Het gevaar met benoemen is echter dat je de labels al te serieus neemt en dat je op die manier de weg naar de absolute visie, en dus de bevrijding, hindert. Zo verwordt de beoefening in het beste geval tot een wellness-industrie, maar in de meeste gevallen tot een frustratie-industrie. De aard van het onderricht (6-13) Op het einde van de vijfde sectie heeft de soetra het volledige onderricht gegeven. Meer valt niet te verwachten. Toch niet inhoudelijk. Maar de inhoud van dat onderricht heeft zo zijn gevolgen voor de aard van het onderricht. Niets ontsnapt aan de reikwijdte van de Diamantsoetra, en daarom zal het de dubbele visie ook op zichzelf toepassen. Sectie 6 noemt het onderricht een vlot dat ons van de oever van gehechtheden en lijden naar de oever van onthechting en bevrijding voert . Dit is opnieuw een letterlijk basisgegeven van het onderricht van de Boeddha. Blijkbaar was het in de tijd waarin de soetra geschreven werd nodig om de honderd procent pragmatische aard van de leer te benadrukken. Met andere woorden: het onderricht zou zich niet mogen beschouwen als een doctrine. Dit is het equivalent van muga voor onderrichtingen: een bodhisattva hoort het onderricht niet te zien als een ding dat gevat en toegeëigend kan worden. Als compleet onderling afhankelijk verschijnsel is het vormeloos, zuivere pragmatiek, in staat om te reageren op de omstandigheden van nieuwe tijden en gebieden. Mahayanateksten werden precies geschreven als een uitdrukking van ontevredenheid met wat aangevoeld werd als een roestig conservatisme in de boeddhistische gemeenschap waarin de oorspronkelijke revolutionaire levendigheid van het Boeddhaonderricht ontbrak. Het mahayana wilde precies traditioneel zijn door even flexibel en creatief te zijn als de Boeddha zelf geweest was. De bondige conclusie van sectie 8, ‘wat boeddhisme genoemd wordt is geen boeddhisme’, is natuurlijk een echo van ‘x is niet x…’, een poging om elk zelfbeeld van de dharma ongedaan te maken en zo het bevrijdende potentieel in ere te herstellen. Maar we zouden het ook kunnen lezen als een wat droge opmerking over de toestand van het boeddhisme in die dagen, alsof de soetra zegt: ‘Jongens, als dit het boeddhisme is, dan zonder mij hoor!’ Sectie 9 voegt het tweede thema, de verdiensten, in de bespreking van de aard van het onderricht: wat zijn de resultaten van het onderricht? Die worden traditioneel beschreven als de vier stadia van de arhat, of heilige: de ‘stroominganger’, de ‘eenmalig herborene’, de ‘niet-terugkeerder’ en ‘het volmaakte ontwaken’. Het is interessant om te zien dat de soetra deze stadia niet ontkent en ze ook niet van de hand doet als ‘hinayana’. Ze worden enkel besproken als resultaten die niet toegeëigend kunnen worden. Je kunt niet zeggen ‘Ik heb de vrucht van mijn praktijk verworven.’ Dat zou immers enkel aantonen dat deze vrucht meteen naar de vaantjes is in een grijpende geest die zich identificeert met een zelf. De verdiensten of resultaten, zelfs het volmaakte ontwaken, zijn ongrijpbaar. Of zoals één vertaling van de vaak aangehaalde vers uit sectie 10 stelt: ‘Als de geest nergens op blijft steken, verschijnt de ware geest.’ Niet gefixeerd zijn op resultaten is het grootste resultaat, de eigenlijke inhoud van het Boeddhaschap (sectie 12). Die zin uit sectie 10 is dan ook voor ons de meest bekende, aangezien het volgens de legende de woorden waren die de jonge Eno tot de praktijk van het onmiddellijke ontwaken schokte, een praktijk waarin resultaten nooit toegeëigend worden, waarin het onderricht nooit in doctrines wordt opgesloten. Deze pragmatische houding tegenover het onderricht impliceert dat de formule ‘x is niet x en daarom noemen we het ‘x” (het derde thema) ook op de formule van toepassing is. Sectie 13 toont zich de kampioen van de pragmatiek door de formule op verschillende manieren te gebruiken, afhankelijk van de term waarmee de x ingevuld wordt: atomen en de eigenschappen van een Boeddhalichaam. In beide gevallen is de formule dezelfde: Atomen of eigenschappen zijn geen atomen of eigenschappen. Tot zover niets nieuws. Maar de context van de formule verschilt in de twee gevallen en dat heeft zijn gevolgen voor de manier waarop ze gebruikt wordt. Als gevraagd wordt of atomen bestaan is het antwoord ‘ja’. Als gevraagd wordt of een Boeddha herkend kan worden aan zijn eigenschappen is het antwoord ‘neen’. In theorie kon op beide vragen met ja en nee geantwoord worden. (Tenminste als je de toenmalige Indiase denkbeelden over atomen en Boeddhalichamen deelde, wat voor het oorspronkelijke publiek van de soetra wel het geval geweest zijn). Ja op het relatieve niveau en neen op het absolute niveau. Maar op een pragmatisch niveau, dus het niveau van onze acties, intenties en reacties, zijn dit twee heel andere vragen met heel andere gevolgen. Bij atomen is het risico op gehechtheid immers een pak kleiner dan bij lichamelijke tekenen van Boeddhaschapp. Ik heb op sesshins serieus bedoelde gesprekken gehoord over de lange oorlellen van meester Deshimaru, die een teken waren van zijn verwezenlijking, om maar een voorbeeld te geven. Over atomen heb ik zulke debatten nog niet gehoord  (hoewel op het einde van de soetra ook hierover een niet mis te verstane waarschuwing zal klinken.) Misschien denken we vandaag niet zo vaak aan 32 tekenen, maar des te meer aan psychologische en energetische ‘tekens’ die ons tonen dat we op de goede weg zijn: een zazen zonder gedachten, je goed voelen, blaken van gezondheid, kalm en toch snel van geest zijn… Allemaal dingen die verwacht worden van een ‘zenmens’, en dus allemaal dingen waaraan we ons gemakkelijk kunnen hechten  (als die tekens zich in ons tonen), waarover we gefrustreerd kunnen raken (als ze in ons uitblijven), of waarover we flink kunnen huichelen (door ze te veinzen). Hoe dan ook, het zijn niet meer dan afleidingen van de echte praktijk: de leegte van alle verschijnselen zien en onszelf bevrijden van het nutteloze grijpen of afwijzen. De Vimalakirtisoetra waarschuwt met een gelijkaardige stem: “Als je naar tekens zoekt, zoek je niet naar de dharma, maar naar tekens.” Samengevat: als Subhuti de Boeddha vraagt hoe bodhisattva’s horen te leven, krijgt hij een dubbel drievoudig antwoord: (1) hecht je niet aan een zelfbeeld, (2) hecht je niet aan verdiensten en (3) hecht je niet aan een verkeerd beeld van zijn en niet-zijn EN (1) hecht je niet aan een doctrine, (2) de resultaten van de praktijk (verdiensten van het onderricht) en (3) hetontologische status van deze resultaten (alsof ze reëler zouden zijn dan iets anders). Na dit onderricht ervaart Subhuti een groot ontwaken.

3. De tweede uiteenzetting van het onderricht na het ontwaken van Subhuti (secties 14-16)

De drie thema’s van de Diamantsoetra (zelfbeeld, verdienstelijke handelingen en de leegteformule) zijn over de hele soetra te vinden, maar de drie uiteenzettingen lijken te variëren in hun nadruk. De eerste uiteenzetting, die we in de vorige paragraaf behandeld hebben, beklemtoonde onthechting van een zelfbeeld. De tweede uiteenzetting, die we nu zullen behandelen, legt de klemtoon eerder op verdienstelijke actie. De derde uiteenzetting zal zich dan weer vooral richten op de ‘x is niet x’ formule. Uitwerking van het onderricht (secties 14-16) Subhuti is verrukt na het eerste antwoord van de Boeddha en ontwaakt tot de betekenis van het bodhisattvaschap als onthechting aan de vier zelfbeelden. De Boeddha erkent zijn inzicht, maar haast zich om de andere kant van de medaille te tonen: verdienstelijke acties. Het gevaar van het onderricht van zelfloosheid is hedonistische verlamming: als er geen waarheid of onwaarheid is, als er geen wezens zijn en als er niets te bereiken is, kunnen we net zo goed helemaal niets beoefenen en hooguit wat gezellig zitten suffen op onze zitkussens. Maar dat is niet wat de Boeddha hier onderricht. Daarom is het nodig om, na een rondje alles ontkennen in het eerste deel, te benadrukken dat verdiensten en resultaten wel degelijk bestaan. Zo vereist de praktijk van een bodhisattva volgens de Diamantsoetra een onberispelijke levenswandel (de tweede paramita), een gul altruïsme (de eerste paramita) en verregaande geduldige verdraagzaamheid (de derde paramita). Ook hier worden de drie andere paramita’s stilzwijgend verondersteld (energie, concentratie en wijsheid). De manier waarop deze secties de concrete inspanning om deze paramita’s te beoefenen voorstelt laat geen ruimte over aan twijfel: zelfs als je gevierendeeld wordt moet je vriendelijkheid en geduld beoefenen. Voor wie niet verwacht in de nabije toekomst in stukken gereten te worden, biedt de soetra een ander concreet domein om geduld te oefenen: kritiek ontvangen. Het kan vreemd of zelfs grappig overkomen om vierendelen en kritiek op één lijn zien als gelegenheden voor  radicaal geduld, maar werp de eerstvolgende keer als je (onterecht) kritiek krijgt toch maar eens de blik naar binnen en waardeer de wijsheid van de soetra! Hoe dan ook, onze beoefening moet gevolgd worden in de wereld van de verschijnselen die we meemaken, het heeft niets te maken met dromerijen over verre toestanden van gelukzaligheid. We horen de weg ook te beoefenen als we ‘niet zen’ zijn. Zen is ook niet beperkt tot de uren die we op onze kussen doorbrengen. Zen wordt beoefend in onze communicatie, in elke beweging en handeling. Meteen na die boodschap draait de medaille weer om. Om deze verdienstelijke daden echt bevrijdend te laten zijn (en niet alleen positieve karmaopstapeling), horen we de paramita’s  met al onze energie te beoefenen, maar niet om vooruitgang te maken op de weg. Dat is de enige manier om vooruitgang te maken op de weg. Er wordt wel degelijk uitgegaan van vooruitgang, maar de enige manier om daartoe te komen is er niet naar te grijpen. Als conclusie wordt gezegd dat “het principe van deze soetra onvoorstelbaar is”: het kan niet gevat worden. “De beloningen zijn ook onvoorstelbaar”: ze overtreffen onze stoutste dromen, en daarom verliezen we maar best geen tijd met erover te dromen. Of zoals het beroemde gezegde stelt: een vuist kan maar enkele waterdruppels vasthouden, een open hand ontvangt een hele rivier.

4 Derde uiteenzetting van het onderricht na de herhaalde vraag van Subhuti (secties 17-31)

Na de tweede uiteenzetting door een (waarlijk geduldige) Boeddha, herhaalt Subhuti bijna idiootweg zijn vraag uit sectie 2. Als je deze secties leest, denken we misschien aan onze mondo’s, waarin zo vaak dezelfde vragen opduiken, en waarin de antwoorden altijd een heel klein beetje anders zijn, zodat we soms diep geraakt worden door dingen waarvan we dachten dat we ze allang begrepen hadden. En jawel, ook hier herhaalt de Boeddha het antwoord uit sectie 3 bijna woordelijk. Maar de context van dat antwoord (de afwezigheid van de vier zelfbeelden) is ook nu weer anders. Aangezien de onderlinge afhankelijkheid van de verschijnselen en hun omgeving een universeel gegeven is, gaat het net zo goed op voor boeddhistische teksten. De afwezigheid van zelfbeelden worden in deze secties meteen verbonden aan een hele reeks van ontkenningen: er is geen staat van inspiratie (bodaishin), geen verlichte staat, geen Boeddha, geen waarheid. Met andere woorden, in zijn de derde uiteenzetting over het pad van de bodhisattva zal de Diamantsoetra zijn inhoud belichten vanuit de formule ‘x is niet x…’. Hier zal voortdurend heen en weer gesprongen worden tussen het relatieve en absolute standpunt, soms duizelingwekkend snel en vaak, waarbij de medaille constant weer omgedraaid wordt. Binnen deze uiteenzetting zijn nog eens drie aparte thema’s te onderscheidene: alle dingen zijn het onderricht van de Boeddha, het onderricht van de Boeddha is geen nihilisme en het onderricht van de Boeddha is geen fysica. Alle dingen zijn het onderricht van de Boeddha (secties 17-21) De formule ‘x is niet x, dus noemen we het x’ ontkent het bestaan van geen enkel verschijnsel. De achterkant van onze voet wordt ‘hiel’ genoemd en die bestaat heel duidelijk. Mocht je daaraan twijfelen, druk er dan maar eens een punaise in. De lege punaise zal een lelijke lege pijn veroorzaken in je lege hiel. Je hiel bestaat meer dan genoeg om er last van te hebben – en het lijden is het beginpunt van het hele boeddhistische pad. ‘Een hiel is geen hiel’ betekent dat de hiel niet gescheiden is van de rest van je voet, je been, het bloed dat erdoor loopt, de luchtdruk die ervoor zorgt dat de hiel niet ontploft, de afstand van de zon die de hiel warm genoeg houdt zonder in brand te schieten, het voedsel dat we eten om onze cellen te laten regenereren, de mensen die voor dat voedsel zorgen, hun ouders, het voedsel dat die ouders gegeten hebben… eigenlijk kun je niets opnoemen dat niet verbonden is aan je hiel. In die zin bestaat er niet zoiets als een afgescheiden hiel. Maar in de manier waarop we eraan kunnen lijden en waarin we van onze hielen gebruik kunnen maken om de wereld schade te berokkenen of vooruit te helpen, bestaan deze hielen maar al te duidelijk en daarom is het ook de moeite waard om over ‘een hiel’ te spreken. Toegepast op het bodhisattvaleven betekent dit dat een bodhisattva doordrongen is van de zelfloze aard van zichzelf (het eerste thema) en van zijn heilzame daden in de wereld (het tweede thema, hier in deze secties ‘tooien van Boeddhalanden’ genoemd), zonder te verdwijnen of zijn actieve leven op te geven. De formule ‘x is niet x…’ (het derde thema) wordt hier toegepast op het gebruik van de geest (uitgedrukt als de vijf ogen), waarbij besloten wordt dat de geest uiteindelijk ‘ongrijpbaar’ is, ‘zonder substantie’, net als de verdiensten en het lichaam van een Boeddha. Te midden van sneller wordende herhalingen wordt Subhuti’s schaapachtige vraag: “Kunnen mensen dit echt geloven?” met een flegmatieke eenvoud beantwoord: Ja, natuurlijk, want mensen zijn geen mensen. Met andere woorden: iedereen kan deze realiteit zelf voelen in zijn eigen bestaan, want bestaan is niets anders dan deze lege realiteit. Dat is wat we in zazen beoefenen en voortzetten in de rest van ons dagelijkse leven, stil zittend en vlammend van activiteit om alle wezens te helpen. Dit is geen geloofspunt, het is de inhoud van eender welke ervaring die we maar mogelijkerwijs kunnen hebben als we die ervaring niet wegbergen in vastleggende conclusies. We kunnen allemaal zelf de realiteit ervaren en ertoe ontwaken. Er bestaat eenvoudigweg geen ervaring, geen verschijnsel dat iets anders zegt. Alle dingen, alle wezens, prediken de dharma in hun manier van bestaan: onbestendig, zonder zelf, leeg en geconditioneerd. Het onderricht of the Boeddha is geen nihilisme (secties 22-28) En weer wordt de medaille omgedraaid. Na een stevig potje ontkennen in de vorige secties, zingt de soetra opnieuw het lof van grote verdienste van de altruïstische en genereuze praktijk van de paramita’s. Een bodhisattva wordt niet verlamd door de gedachte van de lege aard van alle verschijnselen, wezens en praktijken. Telkens als de soetra zijn kerninzicht verkondigt (de alomtegenwoordige leegte) schiet het meteen in een rapsodiërende bewieroking van verdiensten van zijn kerntaak: alle wezens helpen.  Deze compensatie voor de gevaren van enerzijds een verkeerde visie op (angst voor of gehechtheid aan) de leegte of anderzijds activisme bestaat uit het voortdurend heen en weer springen tussen de twee realiteitsniveaus. Deze secties lezen is een haast duizelingwekkende ervaring. De medaille wordt zo vaak en zo snel gedraaid dat ze tolt. De soetra laat ons geen moment toe om vast te steken op eender welke positie. Het onderricht van de Boeddha is geen fysica (29-einde) Ten slotte is de formule ‘x is niet x…’ niet enkel een manier om de leegte als een excuus voor nihilisme te misbruiken, ze dient ook om te vermijden dat het boeddhisme voor iets anders gebruikt wordt dan voor de bevrijding. Deze laatste secties gaan over wat vaak ‘het zwijgen van de Boeddha’ genoemd werd. In de Palicanon herhaalt de Boeddha vaak dat zijn leer enkel gaat over het lijden en de bevrijding uit het lijden. Alle vragen of bespiegelingen die geen bijdrage leverden tot de bevrijding werden van de hand gewezen als irrelevant. Is het heelal eeuwig of niet? Wat was de eerste oorzaak van het lijden? Wat gebeurt er met een verlicht mens na zijn dood? Hoe werkt reïncarnatie precies? … De Boeddha ontwikkelde ook geen systematische filosofie of psychologie. Na zijn dood hebben zowel de theravadische Abidharma’s en de mahayanafilosofen daar toch allerlei pogingen toe ondernomen. En ook vandaag klinkt soms de stelling dat het boeddhisme ‘de wetenschap van de geest is’. Misschien heeft die uitdrukking vooral promotionele redenen voor het zogenaamd wetenschappelijk ingestelde westen, maar ik vraag me af of de Boeddha die beschrijving gewaardeerd zou hebben. Blijkbaar is het voor de menselijke geest een moeilijke zaak om zich met hart en ziel te wijden aan een praktijk die enkel over bevrijding gaat, zonder er als toemaatje een alternatieve kosmologie, psychologie of esoterische kennis bij te leveren. Natuurlijk moeten we hier heel goed voor ogen houden dat in de premoderne wereld religieuze bewegingen verondersteld werden  een wereldbeeld te leveren. Mensen houden het moeilijk uit zonder coherente visie op zichzelf, de maatschappij en de wereld. Toen het boeddhisme een belangrijke culturele kracht werd, stond het wellicht onder grote (externe en interne) druk om meer te leveren dan enkel een bevrijdingspraktijk en de volle plaats van een toenmalige religieuze leer te bieden. In de verschillende boeddhistische landen heeft dat in de verschillende eeuwen verschillende visies, systematieken en theorieën opgeleverd. Dat is allemaal heel begrijpelijk, maar de Diamantsoetra is een purist in deze zaak: het onderricht van de Boeddha is geen speciale theorie over de structuur van de realiteit. Dit toont zich opnieuw in de formule ‘x is niet x…’, die gevuld wordt met ‘atomen’, die hier ‘samenstellingen’ genoemd worden. Samenstelling is geen neutraal woord in het boeddhisme, het is een term waarmee de zelfloosheid van elk verschijnsel geduid wordt. In één van de manieren waarop de Boeddha over de leegte sprak, gebruikte hij een kar als voorbeeld, dat geen karrenzelf heeft, en dus niet meer is dan een samenstelling van wielen, een as enzovoort. Samengesteld vormen die delen iets dat we ‘een kar’ noemen. Vreemd genoeg deed deze manier van denken sommige boeddhistische filosofen op zoek gaan naar elementaire, onveranderlijke bouwstenen van deze samenstellingen. Er werden lijsten opgesteld van de eigenschappen van deze basiservaringsdeeltjes, die opgedeeld werden in lijsten die bij nirvana hoorden (het bevrijde leven) en lijsten die bij samsara hoorden (het lijdende leven) Af en toe lijken de termen en beschrijvingen inderdaad een beetje op de bevindingen van de moderne wetenschap (hoewel dat bij nader inzicht nu ook niet overdreven hoeft te worden). Maar hoe indrukwekkend we dat eventueel ook mogen vinden, het is niet zo relevant voor een boeddhistische praktijk. Tenminste , dat lijkt de Diamantsoetra ervan te vinden en hij verwerpt categoriek de pogingen van mensen die hun tijd en energie steken in zulke ondernemingen als ‘zich begerig een weg naar hun zaken banen’. Dat is sterke taal als je bedenkt dat begeerte de hoofdoorzaak van het lijden is. De Boeddha onderrichte geen dharma om een alternatief te bieden voor eender welk gangbaar wereldbeeld, fysica, psychologie, mythologie, kosmologie of geneeskunde. Als we in onze boekenwinkels vandaag nog altijd boeken over het boeddhisme vinden tussen boeken over ‘quantumgeneeswijzen’ en astrologie, lijkt deze boodschap nog altijd geen overbodige luxe. Wat is het boeddhisme dan? Datgene wat een bodhisattvaleven aanmoedigt. Wat is dat leven? Dat was precies de vraag van Subhuti die de hele soetra uitlokte. De soetra besluit met een antwoord op de twee niveaus van de realiteit, de twee kanten van de medaille. Relatief gesproken, op het niveau van verschijnselen en daden, gaat het om ‘niet grijpen naar vormen’. In plaats van een grijpend, toe-eigenend leven te leiden, leven we een genereus leven, met goede daden, zonder naar hun verdiensten te grijpen of gevormde resultaten toe te eigenen. Absoluut gesproken betekent de weg beoefenen niet van de ‘zoheid’ wijken. We verfrissen constant ons contact met de lege aard van onszelf, van de wezens die we helpen en van elk verschijnsel dat we ontmoeten. Blijkbaar hoort een bodhisattva te leven als een tollende medaille, nooit vast op een standpunt, altijd klaar om de twee kanten te zien. Leven als bodhisattva is doen wat juist is en tegelijkertijd de lege aard van alles zien, het is een zaak van actief mededogen en penetrante wijsheid. Dogen vroeg ooit eens aan zijn leraar Nyojo hoe de geest van een bodhisattva hoort te zijn. Nyojo’s korte antwoord herhaalde eenvoudigweg de boodschap van de Diamantsoetra: ‘Enkel zachtheid en souplesse.’

Sandokai

11 januari 2009
Inleiding De Chinese leraar Sekito vertelt in zijn Sandokai eigenlijk hetzelfde als de Hannya Shingyo: vorm en leegte zijn niet gescheiden, ze zijn twee manieren van naar de realiteit te kijken. Als je te veel nadruk legt op één van de twee, kom je vast te zitten in verwarring en dogmatisme. Sekito doet dit echter op zijn Chinees: poëtisch en met termen die Chinezen vanuit hun cultuur gebruikten. San, ‘verschil’ staat voor de wereld van de vormen en tegenstellingen. Do ‘eenheid’ is de visie van de leegte. Kai betekent dat ze beiden voor ogen gehouden moeten worden, want dat ze zonder elkaar niets te betekenen hebben. Terwijl de Hannya Shingyo op Indiase wijze het ideaal beschrijft als de overkant bereiken, spreekt de Sandokai meer vanuit het ideaal van een harmonie (kai) met de weg (tao). Sekito was een voorloper van de soto-zen, waarin het samengaan van verschil en eenheid voornamelijk uitgediept wordt in het niets-dan-zitten van zazen en in elke activiteit van het dagelijkse leven. Daarom ook de doorleefde oproep van Sekito in zijn laatste regels: alsjeblief, verlies je tijd niet, beoefen nu!   In de dojo zijn ook de commentaren van Taisen Deshimaru en Roland Yuno Rech te verkrijgen.   Reciteerde tekst (onderlijnde lettergrepen zijn dubbel zo lang als de andere)   Chikudo daisen no shin, tôzai mitsu ni aifu su. Ninkon ni ridon ari, dô ni nanboku no so nashi. Reigen myô ni kô kettari, shiha an ni ruchû su. Ji o shû suru mo moto kore mayoi; ri ni kanô mo mata satori ni arazu. ? Mon mon issai no kyô ego to fu ego to. Eshite sarani ai wataru; shikarazareba kurai ni yotte jû su. Shiki moto shitsu zô o kotoni shi; shô moto rakku o koto ni su. An wa jôchû no koto ni kanai; mei wa seidaku no ku o wakatsu. Shidai no shô onozukara fukusu, kono sono haha o uru ga gotoshi. Hi wa nesshi, kaze wa dôyô, mizu wa uruoi, chi wa kengo. Manako wa iro, mimi wa onjô, hana wa ka, shita wa kanso. Shikamo ichi ichi no hô ni oite, ne ni yotte habunpu su. Honmatsu subekaraku shû ni kisubeshi; sonpi sono go o mochiyu. Meichû ni atatte an ari, ansô o motte ô koto nakare. Anchû ni atatte mei ari, meisô o motte miru koto nakare. Meian ono ono aitai shite hisuru ni zengo no ayumi no gotoshi. ? Banmotsu onozukara kô ari, masani yô to sho to o iu beshi. Jison sureba kangai gasshi; riôzureba senpô sasô. ? Koto o ukete wa subekaraku shû o e subeshi; mizukara kiku o rissuru koto nakare. Sokumoku dô o e sezunba, ashi o hakobu mo izukunzo michi o shiran. Ayumi o susumureba gonnon ni arazu, mayôte senga no ko o hedatsu. ? Tsutsushinde san gen no hito ni môsu, ??kôin munashiku wataru koto nakare.??Ø   Vertaling   De geest van de grote wijze van India wordt op intieme wijze van west naar oost overgedragen. Mensen kunnen scherpzinnig of stompzinnig zijn, maar de Weg heeft geen noordelijke of zuidelijke patriarchen. De spirituele bron schittert helder in het licht, de zijrivieren stromen in het donker. Gehechtheid aan verschijnselen is oorzaak van illusie, maar de vereniging met de eenheid is nog geen ontwaken. Alle zintuiglijke objecten werken op elkaar in en toch ook niet. Onderlinge wisselwerking verhoogt de solidariteit, anders behoudt alles zijn plaats. De visuele objecten variëren in kwaliteit en vorm. De klanken zijn soms aangenaam, soms onaangenaam. In het duister vermengen zuiverheid en bezoedeling zich. In het licht onderscheiden zuiverheid en bezoedeling zich. De vier elementen keren terug naar hun natuur, zoals een kind terugkeert naar zijn moeder. Vuur verwarmt,de wind waait, water bevochtigt en aarde is solide. Oog en zicht, oor en geluid, neus en geur, tong en smaak, zo ontwikkelen de bladeren zich voor elke bestaansvorm volgens hun wortel. De stam en de bladeren delen dezelfde essentie, edel en vulgair zijn maar woorden. In het licht bestaat de duisternis, maar zie de duisternis niet als duisternis. In de duisternis bestaat het licht, maar zie het licht niet als licht. Licht en duisternis verschillen, zoals de voorste en achterste voet als je wandelt. Alle dingen hebben hun waarde, uitgedrukt volgens hun functie en plaats. Ze bestaan als verschijnselen en passen op elkaar, als een doos en een deksel. Ze stemmen overeen met het principe, als twee pijlpunten die elkaar raken. Als je deze woorden hoort, begrijp dan hun betekenis, en maak geen eigen categorieën. Als je de weg die onder uw voeten ligt niet begrijpt, Hoe zult je dan de weg kennen als je erop loopt? Vooruitgang in de beoefening is geen kwestie van veraf of dichtbij, maar verwarring schept hindernissen als bergen en rivieren. Zoeker van de weg, ik smeek je, verspil je dagen en nachten niet.

Shiguseiganmon – de vier bodhisattvageloften

10 januari 2009

Tekst met vertaling

Shujo muhen seigando.
Hoe oneindig veel wezens er ook zijn, ik beloof ze allemaal te redden.

Bonno mujin seigandan.
Hoe oneindig veel passies er ook zijn, ik beloof ze allemaal te boven te komen.

Homon muryo seigangaku.
Hoe oneindig het onderricht ook is, ik beloof het helemaal te verwezenlijken.

Butsudo mujo seiganjo.
Hoe volmaakt de Boeddhaweg ook is, ik beloof hem helemaal te verwezenlijken.

Commentaar

Deze vier geloftes vormen het programma van de bodhisattva, het ideaal van het mahayanaboeddhisme, waarvan de zen deel uitmaakt. Ze markeren het verschil tussen een praktijk die enkel dient om jezelf beter te voelen (wellness-zen) of om zo snel mogelijk verlicht te zijn en je terug te trekken in je eigen gelukzaligheid. Die twee houdingen worden ‘hinayana’ genoemd, vrij vertaald ‘zo kleingeestig dat de essentie van de weg verloren raakt.’

Een echte praktijk leidt tot een echt mededogen, dat geen piëtistisch gevoel van eenheid of wazige mystiek is waarin alles in orde is, maar een bruisend, actief leven waarin je eigen bestaan en dat van de anderen fundamenteel ongescheiden is. Om dat te kunnen doen, moet je natuurlijk stabiel genoeg zijn om je niet door je bonno’s (illusies) te laten meeslepen. Helaas hoeven we geen voorbeelden te verzinnen over hoe hooggestemde revolutionaire idealen kunnen omslaan tot onderdrukking en massale moordpartijen. En het is niet omdat je zazen doet en jezelf boeddhist noemt dat je van alle illusies gevrijwaard bent. Opletten blijft de boodschap. Daarom beloven we onze bonno’s onder handen te nemen.

Ten derde beloven we alle onderrichtingen te bestuderen. Dat zijn niet alleen de teksten lezen, maar werkelijk elk verschijnsel observeren als een uiting van de realiteit, van de dharma. Dus ook onze bonno’s uit de vorige paragraaf.

Zo kunnen we ten vierde een leven leiden waarin we op elk moment ondergedompeld zijn in het onmetelijk ruime en schitterende Boeddhaleven. De Weg is nooit ten einde, we zijn er op dit moment mee bezig. Natuurlijk is dit een oneindig en onmogelijk programma. Daarom is het ook ‘maha’-yana, het ‘grote’, ‘immense’ voertuig.

Onze beoefening mag nooit opgesloten worden in iets dat we vanbuiten uit kunnen bekijken en bevatten, want anders verliest onze praktijk alle kracht en zuurstof.

Hokyo Zanmai

10 januari 2009

Inleiding
De Hokyo Zanmai is een klassiek zengedicht geschreven door de Chinese meester
Tozan Ryokai (807-869), die aan de wieg staat van de soto-zenschool. Toen hij als
jongeman zijn leraar Ungan Donjo vroeg wat hij moest zeggen als mensen hem
vroegen wat de essentie van zijn onderricht was, antwoordde Ungan: “Zeg maar dat
het dit is.” Men veronderstelt dat de Hokyo Zanmai een geschenk is van de oude
Tozan aan zijn eigen leerling Sozan, waarin hij zijn leerling oproept om de dharma
te blijven beoefenen en onderrichten vanuit het ‘dit’ van Ungan, en met alle
mogelijke symbolen, verhalen en beelden die de Chinese cultuur toen rijk was.
Hoewel het alles behalve gemakkelijk is om de beelden die Tozan in deze tekst
gebruikt precies te vatten – het zijn per slot van rekening negende-eeuwse Chinese
beelden – is het wel degelijk een schitterend lijflied voor de praktijk van de soto-zen
hier en nu. De tekst toont hoe we vanuit een juiste zazen (zitten als dit) vrij kunnen
spreken met alle middelen die voorhanden zijn om ons uit te drukken – een
praktijk waarin Dogen later als geen ander zou uitblinken. Hokyo betekent
‘kostbare spiegel’. Zanmai is de concentratie van zazen. Deze concentratie dient
niet om ons op te sluiten in een donkere absorptie, maar om te schitteren in
helderheid, samen met de realiteit zoals ze zich toont, als de veelheid van vormen,
handelingen en uitdrukkingen waarin dit zich toont. De Hokyo Zanmai is echt de
tekst over het mysterie van de zenuitdrukkingen.

De noten in deze tekst zullen niet alles duidelijk maken, maar kunnen je al op weg
helpen om de geest van de tekst te ontdekken. Ze zijn gebaseerd op de
commentaren van Taisen Deshimaru, die ook in de dojo te verkrijgen zijn, samen
met de commentaren van Yuno Rech.

Gereciteerde tekst
(onderlijnde lettergrepen zijn dubbel zo lang)
Nyoze no hô busso mitsu ni fusu. Nanji ima kore o etari; yoroshiku yoku hôgo
subeshi. • Ginwan ni yuki o mori, meigetsu ni ro o kakusu. Rui shite hitoshikarazu ;
konzuru tokinba tokoro o shiru. Kokoro kotoni arazareba, raiki mata omomuku.
Dôzureba kakyû o nashi, tagaeba kocho ni otsu. Haisoku tomoni hi nari; taikaju no
gotoshi. Tada monsai ni arawaseba, sunawachi zenna ni zokusu. Yahan shômei, tengyô
furo. Mono no tame ni nori to naru; mochiite shoku o nuku. Ui ni arazu to iedomo, kore
go naki ni arazu. Hôkyô ni nozonde, gyôyô ai miru ga gotoshi. Nanji kore kare ni arazu,
kare masani kore nanji. Yo no yôni no gosô gangu suru ga gotoshi. Fuko furai fuki fujû;
baba wawa : uku muku. Tsuini mono o ezu, go imada tadashi karazaru ga yue ni. Jûri
rikkô, henshô ego, tatande san to nari; henji tsukite go to naru. Chisô no ajiwai no
gotoku, kongô no cho no gotoshi. Shôchû myôkyô, kôshô narabi agu. Shû ni tsûji to ni
tsûzu, kyôtai kyôro. Shakunen naru tokinba kitsu nari; bongo subekarazu. Tenshin ni
shite myô nari, meigo ni zoku sezu. Innen jisetsu, jakunen toshite shôcho su. Sai ni wa
muken ni iri, dai ni wa hôjo o zessu. Gôkotsu no tagai, ritsuryo ni ôzezu. Ima tonzen
ari, shûshu o rissuru ni yotte. Shûshu wakaru, sunawachi kore kiku nari. Shû tsûji shu
kiwamaru mo, shinjô ruchû. Hoka jaku ni uchiugoku wa, tsunageru koma, fukuseru
nezumi. Senshô kore o kanashinde, hô no dando to naru. Sono tendô ni shitagatte, shi o
motte so to nasu. Tendô sô messureba, kôshin mizukara yurusu. Kotetsu ni kanawan to
yôseba, kô zenko o kanzeyo. Butsudô o jôzuru ni nannan toshite, jikkôju o
kanzu.• Tora no kaketaru ga gotoku, uma no yome no gotoshi. Geretsu aru o motte,
hôki chingyo. Kyôi aru o motte, rinu byakko.• Gei wa gyôriki o motte, ite hyappo ni
atsu. Senpô ai ô, gyôriki nanzo azukaran. Bokujin masa ni utai, sekijo tatte mô. Jôshiki
no itaru ni arazu, mushiro shiryo o iren ya. Shin wa kimi ni bushi, ko wa chichi ni
junzu. Junzezareba kô ni arazu, busezareba ho ni arazu. Senkô mitsuyô wa, gu no
gotoku ro no gotoshi. ▲ Tada yoku sôzoku suru o ▲ shuchû no shu to nazuku. •Ø

Vertaling en noten
Zo is de dharma die de Boeddha en patriarchen
op intieme wijze overgedragen hebben.
Nu je hem ontvangen hebt, smeek ik je:
bescherm hem goed.
Als een zilveren schotel gevuld met sneeuw.
Als een reiger verborgen in het maanlicht.(1)
Ze lijken op elkaar, maar zijn niet identiek.
Als je ze nadert, duiken hun verschillen op.
Betekening schuilt niet in woorden,
maar toont zich op het beslissende moment.
Als je woorden volgt, trap je in de val,
als je ze verwaarloost, verzand je in twijfel,
Woorden afwijzen en je eraan hechten zijn fouten,
want dit is als een vuurbol, nuttig maar gevaarlijk. (2)
Als je dit beschrijft met een opgesmukte taal, bezoedel je dit.
Midden in de nacht is dit helemaal licht
 in het daglicht is dit verborgen.
Dit is de wet die alle dingen beregelt,
gebruik het om alle lijden te ontwortelen.
Dit wordt dan wel niet gefabriceerd,
maar het overstijgt daarom nog niet onze woorden.
Net zoals voor een kostbare spiegel:
vorm en weerspiegeling bekijken elkaar.
Jij bent niet dit, maar dit is jou wel.
Dit is als een pasgeboren baby, voorzien van de vijf zintuigen.
Ze gaan niet en komen niet, ze komen niet en blijven niet.
Ze zeggen: ‘Baba wawa’.
Zegt dit dan iets of niet?
Uiteindelijk niet, want hun woorden zijn nog niet juist.
omdat hun taal niet juist is.
De zes lijnen van het hexagram ‘vuur’
doen het wederzijdse spel buigen.
Nochtans resulteert de oorzaak van de vestiging van de drie in vijf.(4)
Zoals de vijf smaken van de chissoplant.(5)
Zoals een diamanten scepter.(6)
Harmonieus verenigd in het midden,
komen trommel en zang samen aan.
De bron binnendringen en de weg opgaan,
het landschap omvatten en de weg waarderen.
Respecteer dit en verwaarloos het niet.
Natuurlijk en subtiel is dit geen onwetendheid of ontwaken.
Te midden van de oorzaken en omstandigheden
is dit sereen en verlichtend.
Dit is zo zuiver dat het binnendringt waar geen ruimte is,
dit is zo weids dat het elke dimensie overstijgt.
Als je er nog maar een haarbreedte van afwijkt,
ben je niet langer in harmonie.
Nu bestaat er een onmiddellijke en een geleidelijk onderricht,
waarin de onderrichtingen en de benaderingswijzen verschillen.
Als ze verschillen, heeft elk zijn normen.
Maar of die onderrichtingen en benaderingen niet beheerst worden of niet
de realiteit blijft stromen. (7)
Buiten kalmte en binnen opwinding
is als een paard in de knel of een rat in de val.
De oude wijzen hadden mededogen voor hen
en boden hen de dharma aan.
Onder invloed van hun verkeerde beelden
zagen we wit voor zwart aan.
Als die verkeerde denkbeelden ophouden,
verwezenlijken ze de geest die vanzelf harmonieert.
Als je de oude weg wilt volgen,
observeer dan alsjeblieft de wijzen van vroeger.
Wie op het punt staat om de weg van de Boeddha te verwezenlijken
heeft de boom al tien kosmische cycli aanschouwt. (8)
Het is zoals de blessure van een tijger,
of het manken van een paard: (9)
omdat mensen denken dat het hen aan iets ontbreekt,
zoeken ze rijkdom en prestige op.
Anderen, met een ruime visie,
beseffen dat ze als een bruine en een witte os zijn.
Een meester-boogschutter kan door zijn grote techniek
het doel zelfs op honderd meter raken.
Maar als een pijl en een speer elkaar in volle vlucht raken,
kan dit toch geen zaak van behendigheid meer zijn? (10)
De houten man zingt, de stenen vrouw staat op en danst.
Dit komt niet voort uit gewaarwordingen of bewustzijn,
hoe zou dit iets te maken kunnen hebben met onderscheid?
Ministers dienen de koning, kinderen gehoorzamen hun ouders.
Niet gehoorzamen gaat in tegen de filiale plicht,
niet volgen is geen echte minister zijn. (11)
Verberg je beoefening, ga discreet te werk,
verschijn maar als een dwaas of een idioot.
Zo blijven voortdoen wordt de meester van de meesters genoemd. (12)  

(1) Sneeuw, een zilveren schaal, een reiger en de maan zijn in de Chinese poëzie vier ‘witte’ objecten. Maar ze zijn tegelijkertijd allemaal anders wit. Zo is alles op zijn manier dit.

(2) Met andere woorden: verlichting of ‘de waarheid’ willen grijpen is alsof je een bol vuur wil vasthouden: je zult je eraan verbranden. Maar als je je ervan afkeert zul je snel koud worden. De weg van de zen is de weg van het midden, van het opgeven van tegengestelde begrippen.

(3) ‘Baba wawa’ staat hier voor gefrasel van een peuter die nog niet kan spreken.

(4) Kernachtige verwijzing naar de I Ching, het oude Chinese orakelboek en naar het onderricht van de vijf fasen (go i), dat Tozan uitwerkte om de praktijk van zazen niet te laten verzanden in vrijblijvend gesuf op een meditatiekussen. In de loop van de geschiedenis van de soto-zen hebben sommige meesters (zoals Sozan) zich heel enthousiast getoond over die vijf fasen, anderen (zoals Dogen) zagen er voornamelijk een gevaar voor nieuwe gehechtheden in.

(5) Chissoplant: ‘de plant met de vijf smaken’. In de verschillende delen van de plant zijn de vijf smaken aanwezig, maar hooguit heel licht. Het is een symbool van de zen omdat de chissolant bijna neutraal proeft, maar toch alle smaken in zich draagt.

(6) Diamanten scepter (vajra): een scepter waarvan de uiteinden op vijf vingers lijken, en die de linkerhand van de Boeddha voorstellen. Vooral in het esoterische boeddhisme is dit een belangrijk symbool. De vijf vingers staan voor de vijf wijsheden, die in vijf beelden van de Hokyo Zanmai aan bod komen: de wijsheid van de spiegel van de schat (die de verschijnselen van het heelal helder weerkaatst), de wijsheid van het kind (dat de gelijkheid van alle dingen observeert na het verschil van de elementen ontkend te hebben), de wijsheid van yin en yang (die de verschillende vermogens van de wezens erkent om iedereen op een gepaste manier de dharma te onderrichten), de wijsheid van de chissoplant (die de vermogens ontwikkelt om aan alle levende wezens ten goede te komen. De wijsheid van de vajra verenigt de vier vorige.

(7) Hier verwijst Tozan naar een beroemde, maar al bij al sterk overdreven, splitsing van de zenschool in een geleidelijk onderricht en een onmiddellijk onderricht in de Chinese zenmiddens van de achtste eeuw. Het is interessant om te zien dat in zenteksten uit die tijd iedereen zich graag bij de meer succesvolle ‘onmiddellijke school’ rekende, maar dat de echte grote meesters (zoals Tozan, maar ook Sekito in de Sandokai, Baso en Hyakujo) eerder verveeld leken met het debat.

(8) De boom staat hier voor de boom waaronder Boeddha Shakyamuni tot ontwaken kwam, en nog specifieker voor ons eigen lichaam in zazen, dat zich opent voor het ongescheiden bestaan. Met andere woorden: wie de weg realiseert harmonieert met zijn feitelijke verbondenheid met de hele geschiedenis van het heelal.

(9) <http://www.zenantwerpen.be/Dharma/Sutras/HokyoZanmai.htm> Als een tijger gekwetst is, dient zijn kracht tot niets meer en is hij aan de andere dieren overgeleverd. Een mankend paard kan niet meer galopperen en heeft niets aan zijn snelheid. Net op dezelfde manier zijn we allemaal van nature begiftigd met de Boeddhanatuur, maar als we onszelf schade berokkenen door onhandig te reageren op de wereld, gaat het vermogen van die natuur aan ons verloren. Tozan roept op tot nauwkeurigheid in de beoefening en de Boeddhanatuur niet te gebruiken als excuus dat alles toch al in orde is.

(10) Verwijzing naar een Chinees verhaaltje over een boogschutter Hiei en zijn leerling Kisho. Kisho was jaloers op zijn leraar en wilde hem doden om zijn plaats in te nemen. Toen hij zijn eerste pijl afschoot, schoot Hiei meteen terug en raakten de twee pijlen elkaar in de volle vlucht. Kisho schoot negen keer en telkens hielden de pijlen van Hiei zijn pijlen tegen. Toen Hiei geen pijlen meer had en Kisho zijn laatste pijl schoot, haalde Hiei met een speer de laatste pijl van Kisho uit de lucht. Ontroerd over zoveel harmonie vielen ze elkaar in de armen. Behalve het feit dat dit wel heel erg op een goedkope Hongkongfilm lijkt, drukt dit verhaal het gevoel van een bijzonder harmonie uit, die onze eigen inspanning overstijgt. Dat is een belangrijk aspect van de soto-praktijk: je geeft je helemaal, met huid en haar aan je praktijk, maar ook daarna volgt nog een stap, de stap in het opgeven, van het deelachtig worden van de activiteit van de realiteit zoals ze is. Dat kan heel ontroerend zijn en tot een laaiend enthousiasme leiden, zoals meteen in de volgende twee regels uitgedrukt wordt.

(11) In het politiek vaak woelige China waarin sociale instabiliteit zeer gruwelijke gevolgen kon hebben, stond de keizer symbool voor de spil van een juist draaiende wereld. Hoewel deze verzen ons misschien conservatief overkomen (en dat wellicht ook zijn), hoeft dit geen pleidooi te betekenen voor een centrale macht of welk politiek of sociaal model dan ook. In elke beschaving vindt het boeddhisme zijn weg in de mogelijkheden van dat moment. In het moderne boeddhisme zijn dan ook tal van sociaal bewogen groeperingen te vinden, die ijveren voor een boeddhisme dat zich inschrijft in de sociale verworvenheden van de moderne wereld. Op een belangrijk niveau staan de koning en de ouders hier vanzelfsprekend voor ‘dit’, de realiteit zoals ze is.

(12) Het is mogelijk dat Tozan deze tekst voor zijn opvolger Sozan schreef en hem letterlijk opdroeg om even voorzichtig te zijn en zich in moeilijke tijden koest te houden. Maar deze zinnen hebben soto-zenbeoefenaars sindsdien blijven inspireren. Zen zal wellicht altijd tegen de haren van de tijd instrijken. We moeten heel voorzichtig zijn, subtiel en juist beoefenen, en niet te bang zijn dat mensen ons daarom idioten vinden.


De eko van de patriarchen

9 januari 2009
Inleiding   Traditioneel wordt bij elke ceremonie de verdiensten van zazen opgedragen aan iemand of een groep mensen. Hoe letterlijk je zulke ‘overdracht’ neemt is een persoonlijke zaak, maar het is nooit slecht om bij zazen en alles wat ermee verbonden is ook regelmatig expliciet uiting te geven van de gulheid die een fundament van een echte praktijk is. Enkel voor jezelf zazen doen is in wezen een misverstand.   Er zijn eko’s (toewijdingen) in allerlei vormen. In de onderstaande eko gedenken we de overdrachtslijn van leraren die de zen tot bij ons gebracht hebben. Zonder hun gulle en onverdroten praktijk hadden we zelf niet kunnen beoefenen. Daarom zingen we deze lijst regelmatig in de dojo. In de vertaling van de tekst zijn links verbonden aan korte biografieën van de meeste bekende figuren van deze linie. Voor het onderricht van alle leraren in deze lijn, verwijzen we graag naar de commentaren van Yuno Rech op de Denkoroku van Keizan (work in progress).   De reciteerde tekst   Aogi koi negawaku wa sambo fushite shokan wo tare tamae Jo rai (gezongen soetra’s) o fujusu atsumuru tokoro no shukun wa: Bibashi Butsu daiosho Shiki Butsu daiosho Bishafu Butsu daiosho Kuruson Butsu daiosho Kunagonmuni Butsu daiosho Kasho Butsu daiosho Shakamuni Butsu daiosho Makakasho daiosho Ananda daiosho Shonawashu daiosho Ubakikuta daiosho Daitaka daiosho Mishaka daiosho Bashumitta daiosho Butsudanandai daiosho Fudamitta daiosho Barishiba daiosho Funayasha daiosho Anabotei daiosho Kabimora daiosho Nagyaharajuna daiosho Kanadaiba daiosho Ragorata daiosho Sogyanandai daiosho Kayashata daiosho Kumorata daiosho Shayata daiosho Bashubanzu daiosho Manura daiosho Kakurokuna daiosho Shishibodai daiosho Bashashita daiosho Funyomitta daiosho Hannyatara daiosho Bodaidaruma daiosho Taiso Eka daiosho Kanchi Sosan daiosho Daii Doshin daiosho Daiman Konin daiosho Daikan Eno daiosho Seigen Gyoshi daiosho Sekito Kisen daiosho Yakusan Igen daiosho Ungan Donjo daiosho Tozan Ryokai daiosho Ungo Doyo daiosho Doan Dohi daiosho Doan Kanshi daiosho Ryozan Enkan daiosho Taiyo Kyogen daiosho Toshi Gisei daiosho Fuyo Dokai daiosho Tanka Shijun daiosho Choro Seiryo daiosho Tendo Sokaku daiosho Setcho Chikan daiosho Tendo Nyojo daiosho Eihei Dogen daiosho Koun Ejo daiosho Tettsû Gikai daiosho Keizan Jokin daiosho Sangoku dento rekidai soshi Narabini somon Kodo daiosho Mokudo Taisen daiosho Zuigaki Rempo daiosho No tame kamiji on ni mukui Honjitsu Ho Sen ni sanzen seishû ichido no kofuku wo, kinen sen koto o.     Vertaling   Nederig vragen we om uw ware mededogen en ontwaken. Nadat we (de gezongen soetra’s) gezongen hebben, dragen we deze ceremonie op aan elk van de volgende grote meesters, om onze dankbaarheid voor hun mededogen uit te drukken: de grote meester Boeddha Vipashyin de grote meester Boeddha Shikhin de grote meester Boeddha Vishvabhu de grote meester Boeddha Krakuchanda de grote meester Boeddha Konagamana de grote meester Boeddha Kasyapa de grote meester Boeddha Shakyamuni [link Boeddha] de grote meester Mahakasyapa de grote meester Ananda de grote meester Shanavasa de grote meester Upagupta de grote meester Dhritaka de grote meester Micchaka de grote meester Vasumitra de grote meester Buddhanandi de grote meester Buddhamitra de grote meester Parshva de grote meester Punyayashas de grote meester Asvaghosha de grote meester Kapimala de grote meester Nagarjuna de grote meester Kanadeva de grote meester Rahulata de grote meester Sanghanandi de grote meester Gayashata de grote meester Kumarata de grote meester Jayata de grote meester Vasubandhu de grote meester Manorhita de grote meester Haklenayashas de grote meester Aryasimha de grote meester Basiasita de grote meester Punyamitra de grote meester Prajnatara de grote meester Bodhidharma de grote meester T’ai-tsu Hui-k’o [link Eka] de grote meester Chien-chih Seng-ts’an [link Sosan] de grote meester Ta-i Tao-hsin de grote meester Ta-man Hung-jen [link Konin] de grote meester Ta-chien Hui-neng [link Eno] de grote meester Ch’ing-yuan Hsing-ssu de grote meester Shih-t’ou Hsi-ch’ien [link Sekito Kisen] de grote meester Yüeh-shan Wei-yen de grote meester Yün-yen T’an-shen de grote meester Tung-shan Liang-chieh [link Tozan Ryokai] de grote meester Yün-chü Tao-ying de grote meester T’ung-an Tao-p’i de grote meester T’ung-an Kuan-chih de grote meester Liang-shan Yüan-kuan de grote meester Ta-yang Ching-hsüan de grote meester T’ou-tzu I-ch’ing de grote meester Fu-jung Tao-k’ai de grote meester Tan-hsia Tzu-ch’un de grote meester Chen-hsieh Ch’ing-liao de grote meester T’ien-t’ung Tsun-chüeh de grote meester Hsüeh-tou Chih-chien de grote meester T’ien-t’ung Ju-ching [link Tendo Nyojo] de grote meester Eihei Dogen de grote meester Koun Eju de grote meester Tettsu Gikai de grote meester Keizan Jokin en alle meesters tot aan deze tijd, met name de grote meester Somon Kodo, [link Kodo Sawaki] de grote meester Mokudo Taisen, [link Taisen Deshimaru] de grote meester Zuigaku Rempo, [link Niwa Zenji] drukken we onze erkentelijkheid uit. We bidden voor het geluk van alle deelnemers van de zuivere bijeenkomst, die vandaag in de dojo Ho Sen zazen zijn komen beoefenen.

Jihosanshin

8 januari 2009
Na een ‘gerichte’ toewijding zetten we weer alles open en drukken onze verbondenheid met alle richtingen en alle tijden uit. Dit is geen mysterieuze esoterie, maar een heel eenvoudige realiteit die direct te ervaren is als we ophouden ons grenzentrekkend denkvermogen op alles los te laten.   Gereciteerde tekst   Ji ho san shi i shi fu Shi son bu sa mo ko sa Mo ko ho ja ho ro mi   Vertaling   Alle vroegere, huidige en toekomstige Boeddha’s in de tien richtingen. Alle bodhisattva’s en patriarchen. De soetra van de grote wijsheid die naar de andere oever leidt.

Shodoka – Het lied van het onmiddellijke ontwaken

8 januari 2009

Yoka Daishi

Inleiding Yoka Daishi (665-713) was een bijzonder getalenteerde Chinese monnik. Hij had allerlei wegen beoefend, veel gestudeerd, maar voelde dat er hem nog iets ontsnapte. Hij had gehoord over het bijzondere onderricht van de zesde zenpatriarch, meester Eno (Hui-neng) op de berg Sokei, dus trok hij erheen. Normaalgezien kom je als monnik een beetje beleefd zo’n klooster binnen, maar Yoka stevende meteen op de oude meester af. Eno vroeg hem zachtjes waarom hij zich zo verwaand gedroeg.    Yoka zei: “Leven-en-dood is een serieuze zaak, de vergankelijkheid is snel.”    Eno antwoordde: “Waarom verwezenlijk je de geboorteloosheid van de dingen en begrijp je niet dat er geen snelheid is?”   Yoka zei: “Verwezenlijking wordt zelf niet geboren, begrip heeft eigenlijk geen snelheid!”    Eno zei: “Inderdaad, inderdaad.”    Daarop boog Yoka en betuigde Eno alle eer.    Een typisch bizar zenverhaal, lijkt het. Maar het toont ons heel mooi wat we te doen hebben als we in onze vaart, ons enthousiasme, uit de bocht vliegen en de weg missen. Yoka’s spirituele gedrevenheid was verworden tot arrogantie en haast. Hij wilde zijn tijd niet verbeuzelen met idiote beleefdheidsregels die hem niet meteen vooruithielpen in zijn zoektocht naar de bevrijding uit samsara (‘leven en dood’).    Eno had hem meteen kunnen laten buitengooien, maar in plaats daarvan vertoonde hij precies datgene waar het Yoka aan ontbrak: geduld en vrijgevigheid, misschien wel de twee belangrijkste aspecten van wat in de zen robashin heet: de geest van de grootmoeder, die met een kritische maar altijd liefdevolle blik naar de stommiteiten van de wereld kijkt. Vandaag heet dat emotionele intelligentie, of ‘meer in je zijn dan in je doen zitten’, in de zen heet dat robashin. Zelfs al gebruiken zenmeesters soms grove uitspraken, ze kijken naar elke mens alsof het om één van hun eigen kleinkinderen gaat dat in een zandbak aan het spelen is en af en toe iets te veel opgaat in zijn spel. Een korte ingreep kan nodig zijn om even tot de bredere realiteit te ontwaken, maar van een veroordeling of persoonlijke afkeer is geen spoor. Dat vind ik altijd bijzonder indrukwekkend aan echte zenleraren: hoe fel ze ook kunnen zijn, zodra je opkijkt uit je zandbakje worden ze meteen weer helemaal een goedmoedig grootje.     En vanuit die goedmoedigheid word je gestimuleerd om zelf even te kijken, weg van het rechte dunne lijntje van je project, de wijde wereld in. Of zoals Yoka veel later in zijn eigen Shodoka (dat bijna een handboek is voor gehaaste ego’s) zou schrijven:   Oordeel niet over de grootsheid van de blauwe hemel, als je door een strohalm kijkt.       Als Eno Yoka aanraadt om ‘de geboorteloosheid te verwezenlijken’ gaat het precies daarover: de compleet omsamenvatbare aard van ons leven en de wereld. Het kan praktisch zijn om de wereld eventjes te ordenen in doelen en middelen daartoe en hindernissen daarvoor, maar als we daarmee de wereld, ons leven of ons geluk denken te zien, levert ons dat niet veel meer op dan uitputting en ergernis. Yoka was zo gehaast om tot de essentie van het leven te ontwaken, dat hij niet in staat was om die essentie hier en nu, in een vriendelijk gebaar te zoeken. Dat leek enkel tijdverlies. Maar als hij door toedoen van Eno’s grootmoederlijke vriendelijkheid opent, ziet hij plots dat het leven helemaal niet gelijk staat aan een vaart naar een doel. Onze geest staat op elk moment totaal tot onze beschikking. Daarvoor volstaat het om een kijkje te nemen in het vaartloze hier en nu, of zoals Eno zegt, in ‘de geboorteloosheid’.   (Uit: Tom Hannes: Zen en het konijn in uw brein, Witsand 2009)   Het lied van het onmiddellijke ontwaken Beste vriend, zie je deze verlichte mens niet die gestopt is met studeren en zonder moeite leeft? Hij probeert zich niet van illusies te ontdoen of de waarheid te vinden. De ware natuur van onze onwetendheid is de boeddhanatuur, ons leeg en illusoir lichaam het lichaam van Boeddha dharmakaya.[ii] Begrijpen we het lichaam van de Boeddha ten volle, dan is er niets meer. De oorspronkelijke bron van onze eigen natuur is de zuivere en ware Boeddha. De zwevende wolken van de vijf skandha’s[iii] komen en gaan langs de hemel. Het schuim van de drie vergiften[iv] verschijnt en verdwijnt op de oceaan. Als we de werkelijkheid begrijpen, bestaat voor ons noch mens noch wet meer. Ogenblikkelijk wordt het slechte karma, het karma van de hel, vernietigd. Als ik je met valse woorden bedrieg, moge mijn tong dan als straf voor eeuwig uitgerukt worden. Als je plotseling, op dit moment, de zen van de Boeddha verwezenlijkt, verwezenlijken de zes paramita’s en de tienduizend oefeningen zich ten volle in je lichaam. In onze droom bestaan de zes illusoire paden[v] duidelijk. Maar wanneer we wakker worden bestaat er niets meer, zelfs niet de tienduizend verschijnselen. Er bestaat geen fout, geen geluk, geen verlies, geen winst. In de vrede van deze absolute voltooiing moeten we nergens naar streven.  Sinds de oorsprong heeft men nooit het opgehoopte stof van de spiegel geveegd, maar vandaag moet men er absoluut de schittering van zien. Wat is het niet-bedachte? Wat is het ongeborene? Als het ongeborene werkelijk bestaat, kan het ook niet geboren worden. Vraag een marionet of het doeltreffend is verdiensten te verwerven om de Boeddha te vinden. Geef de vier elementen op en probeer ze niet meer te grijpen. Drink en eet naar believen in absolute vrede en voltooiing. Alle verschijnselen zijn vergankelijk, alles is leegte. Dat is precies de grote en volledige verlichting van de Boeddha. Een precieze leer en de hoogste dimensie is het symbool van de ware monnik. Als één persoon het niet eens is, openbaart de leer zich vanzelf. Want het is een boeddhakwaliteit om meteen de wortels af te snijden. We kunnen dat niet doen en tegelijkertijd de bladeren verzamelen en de takken zoeken. De mensen kennen de kostbare mani-parel[vi] niet. Maar iedereen bezit deze schat van de Tathagata, [vii] diep verborgen in het alaya-bewustzijn.[viii] De mysterieuze actie van de zes zintuigen[ix] is tegelijkertijd leeg en niet leeg. De lichtkrans van een parel behoort tot de wereld van de verschijnselen en behoort er tegelijkertijd niet toe. Door onze vijf visies[x] te zuiveren kunnen we de vijf machten[xi] verwerven. Alleen door de beoefening kunnen we dat begrijpen. Het inbeelden is moeilijk! Het is niet moeilijk om de vorm in de spiegel te zien, maar er is geen manier om de maan in het stromende water te vangen. We gaan altijd alleen. We stappen altijd alleen. Op de weg van nirvana spelen alleen de verwezenlijkten samen. De melodie van zijn leven is klassiek, zijn geest is zuiver en zijn houding van nature edel. Zijn wangen zijn ingevallen, zijn jukbeenderen sterk. Niemand schenkt aandacht aan hem. De zoon van Shakya[xii] is gekend om zijn armoede. In werkelijkheid is zijn verschijning arm, maar zijn geest kent geen armoede. Hij is arm en dus gewoonlijk gekleed in lompen, maar hij bezit de Weg en bewaart deze onschatbare rijkdom diep in zijn geest. En zelfs als we er gebruik van maken, raakt deze onschatbare rijkdom nooit uitgeput. Hij kan er iedereen dus, bij iedere gelegenheid, zonder enige spaarzaamheid, eeuwig van laten genieten. De drie lichamen en de vier wijsheden worden ten volle in zijn lichaam verwezenlijkt. De acht satori’s en de zes bovennatuurlijke krachten staan in de basis van zijn geest gedrukt. [xiii] De superieure mens heeft in één keer een totaal begrip. De middelmatige of inferieure mens hoort wel veel, maar gelooft in weinig en heeft de diepe waarheid niet. Werp zelf de lompen af die de schat verbergen. Ga tegenover anderen niet prat op je toewijding.  Aanvaard kritiek en onderwerp je aan de laster van de anderen. Uiteindelijk vermoeien ze zichzelf alsof ze de hemel met een toorts in brand willen steken. Wanneer je ernaar luistert is het alsof je zachte nectar drinkt. Hij lost onmiddellijk op en gaat het mysterie binnen. Als je begrijpt dat harde woorden verdiensten worden, dan worden ze voor jou een meester van de Weg. Als je door kritiek niet ontwaakt voorbij de idee van vriend of vijand, hoe verwezenlijk je dan de oneindige krachten van het mededogen en de doorzetting? Als je de oorsprong, het principe volmaakt begrijpt, zul je het perfect kunnen onderrichten. Zazen en wijsheid zullen volledig versmelten zonder enkel op de leegte te blijven. Niet ik alleen heb nu het begrip. Zoals de zandkorrels van de Ganges, hebben de ontelbare boeddha’s dezelfde essentie. De leer van de niet-vrees is als het brullen van de leeuw. Het verbrijzelt de hersenen van honderd dieren die het horen. Ondanks zijn kracht verliest de olifant[xvii] zijn waardigheid. Enkel de hemeldraak[xviii]beluistert deze stem tevreden. Ik heb oceanen en meren overgestoken, Ik ben langs bergen en rivieren gegaan, ik heb de meesters bezocht, ik heb de Wegen gezocht, ik heb zazen beoefend. En sinds ik de Weg van de berg Sokei[xix] vond, weet ik dat geboorte en dood niet verschillen. Lopen is ook zen, zitten is ook zen. Of we nu praten of stil zijn, of we nu bewegen of onbeweeglijk zijn, het lichaam blijft steeds vredig. Zelfs tegenover een zwaard blijft de geest kalm. Zelfs tegenover gif blijft de geest onverstoorbaar. Mijn Meester ontmoette de Boeddha Nento en lang geleden werd hij Ninniku-sen.[xx] We moeten vele malen leven en ontelbare keren sterven. Leven en dood volgen elkaar onophoudelijk tot in de eeuwigheid op. Vanuit het onmiddellijke besef van de geboorteloosheid is het niet meer nodig ons te verheugen of ons te kwellen om eerbewijzen of schande.   Je diep terugtrekken in de bergen, leven in een kluizenaarshutje, gezeten onder een grote den, kalm en rustig zazen beoefenen, vredig en gelukkig, in de verblijfplaats van de kluizenaarmonnik. Eenvoudig en sereen leven, waarachtige schoonheid.   Als je ontwaakt en begrijpt, is het niet meer nodig vergeefse inspanningen te doen: niets behoort tot de orde van het beperkte onderricht. Giften doen met een doel kan het geluk opleveren van in de hemel herboren te worden, maar het is alsof je een pijl naar de hemel schiet. Wanneer de kracht van de pijl uitgeput is, valt hij terug op de grond, en wordt het de bron van ongunstig toekomstig karma. Dit is helemaal iets anders dan aan de poort van de onbeweeglijke werkelijkheid te staan, waarlangs we ogenblikkelijk binnengaan in de dimensie van de Boeddha.   Enkel de oorspronkelijke wortel grijpen, je niet met de takken bezighouden, is alsof je de weerspiegeling van de maan in een zuiver juweel vangt. Nu ken ik de schat van de ware vrijheid, die onuitputtelijk is, niet alleen voor mij, maar ook voor de anderen. De maan schijnt op het water van de rivier, de wind waait door de bomen: de frisse en zuivere schaduw van de lange nacht. Waarom is dat? De schat van de voorschriften van de Boeddhanatuur is in onze geest gedrukt. Mist en dauw, regen en nevel zijn het monnikskleed dat ons lichaam kleedt. De kom van de monnik om de draak te roepen [xxii] en de staf om de tijger op afstand te houden.[xxiii] De metalen ringen op het einde van de stok klinken helder. Kom en stok moeten niet beschouwd worden in hun eenvoudige materiële vorm. Ze betekenen het spoor van de Boeddha intiem volgen en symboliseren zijn waardevolle staf.   De waarheid niet zoeken, de illusies niet afsnijden. Want ik begrijp duidelijk dat deze twee elementen leeg en vormeloos zijn.   Het vormeloze is leeg noch niet-leeg, het is de ware vorm van de Boeddha. De spiegel van de geest is zuiver en niets komt hem verduisteren. Door zijn zuiverheid en zijn helderheid, weerkaatst hij het hele heelal. De duizenden verschijnselen worden in de spiegel weerkaatst. Dit volmaakte juweel heeft geen buiten of binnen. De ware vrijheid van de leegte drijft de relatie van oorzaak en gevolg uit, alles is dan in volmaakte verwarring en wanorde en leidt tot een vreselijke catastrofe. De dingen loslaten om alleen nog de leegte te bewaren, is ook een ernstige ziekte. Het is alsof je in het vuur springt om niet in het water te vallen. De illusies willen opgeven om niets dan de waarheid te bewaren is discriminatie, kunstmatig en nabootsing. Wanneer een mens alleen de Weg volgt en dat niet weet, is hij als iemand die een dief adopteert om er zijn zoon van te maken. We verspillen de schat van de dharma en verliezen zijn verdiensten. Het bewustzijn van de geest is er de oorzaak van, de zenschool lost dit verstand dan ook op. Onmiddellijk binnengaan in de verlichting van de geboorteloosheid, dàt is de kracht van de ware vrijheid.   De echte mens grijpt het zwaard van de wijsheid, de gescherpte punt van de wijsheid, de vlam zo krachtig als diamant.   Dit zwaard is in staat de geest van alle verkeerde begrippen te breken, maar het kan net zo goed alle demonen bij verrassing slaan. Het onderricht van de Boeddha is als de stem van de donder, het gedreun van de wet, het geroffel van de trom. Het verspreidt een wolk van mededogen en een nectar zoet als honing. De sporen van de draak en de olifant reiken overal, zonder beperkingen, zodat alle mensen, zelfs zij die een dogmatisch verlichting hebben of een satori verkregen door boekenkennis, kunnen ontwaken en door dit onderricht het echte satori vinden. Op de sneeuwbergen van de Himalaya schiet enkel zuiver ongemengd gras op. Het geeft exclusief de essentie van de smaak en deze smaak bewaar ik altijd.   Eén enkele natuur bevat alle naturen. Eén enkel ding bevat alle dingen volledig. Eén enkele maan wordt in het water weerspiegeld. Alle weerspiegelingen van de maan zijn afkomstig van één maan.   Het spirituele lichaam van alle boeddha’s komt in mijn natuur binnen. Mijn natuur harmonieert met de geest van de Thatagata. Eén wijsheid omvat alle wijsheden volkomen. Er is geen vorm, geen bewustzijn, geen actie van het karma. Gedurende één enkel ogenblik worden 84.000 verschijnselen geschapen. In een één enkel ogenblik is de eeuwigheid voltooid. De maten zijn geen maat. Hoe kunnen we in overeenstemming met onze ware natuur zijn? Niet bekritiseren, niet loven. Ons lichaam is als de hemel. Er zijn geen beperkingen.   Als je de plaats waar je bent niet verlaat, blijf je kalm. Als je probeert te begrijpen, zul je je realiseren dat je niet kan begrijpen, verkrijgen of verwerpen. Wat je niet kunt bekomen, zul je onbewust bekomen. Wanneer je stil bent, praat je. Wanneer je praat, ben je stil. Wanneer de grote poort van de vrijgevigheid open is, zijn er geen hindernissen meer. Als iemand me vraagt tot welke religie ik behoor, antwoord ik: de kracht van Maka Hannya.[xxiv]   Wat is het goede, wat is het kwade? De mensen kunnen het niet weten. Wat gaat in de goede richting en wat tegen de stroom in? Dat kan zelfs de hemel niet uitmaken. Vroeger heb ik lang geoefend en gestudeerd. Het zijn geen loze woorden of leugens. Hier draag ik het vaandel van de wet en vestig ik de ware religie. De waarachtige en heilige lijn van de Boeddha zet zich voort door de monnik van de berg Sokei. Mahakashyapa gaf als eerste de lamp, de fakkel, door.[xxv] Sindsdien telt de geschiedenis achtentwintig generaties onder de Indische hemel. Door de weg van de oceanen bereikte de zen deze aarde. Bodhidharma[xxvi]was er de grondlegger van. Zes beroemde generaties volgden hem op en gaven het kleed door. Voortaan zullen in de toekomstige generaties degenen die Weg van de zen zullen ontvangen talrijk zijn. De waarheid van de zen heeft geen verdediging nodig. Van dezelfde oorsprong als de illusies is ook zij leegte. Maar als de twee gezichtspunten van bestaan of niet-bestaan opgegeven worden, wordt niet-leegte zelf leegte. De twintig poorten van de leegte hebben geen bestaan. De unieke natuur van de Tathagata’s is oorspronkelijk identiek voor alle dingen. De geest is de wortel, de dharma het stof. Ze zijn beiden als weerkaatsingen in een spiegel. Wanneer we dit stof weggenomen hebben, schittert het licht weer. Geest en dharma zijn volledig verdwenen en dus is onze natuur authentiek. Helaas wordt dit tijdperk gekenmerkt door een verval van de dharma. De mensen zijn nog nauwelijks gelukkig. Het is moeilijk hen te leiden. Ze staan ver van de wijsheid, van de heiligheid, en storten zich in verkeerde begrippen. De demonen zijn sterk, de dharma is zwak, en de schadelijke haat verspreidt zich overal. Ze kunnen luisteren naar de leer van de poort van het echte onderricht van de Boeddha, maar helaas verwerpen ze het en smijten het als een dakpan in duizend stukken neer, en ze kunnen er de oorspronkelijke vorm niet meer van vinden. De handeling komt voort uit de geest, de ziekte komt voort uit het lichaam. Je hoeft dan ook tegenover anderen geen enkele wrok te voelen   Als je jezelf geen onbeperkt karma op de hals wilt halen, geef dan geen kritiek op het wiel van de dharma van Boeddha. In het sandelwoud groeit geen enkele andere boom. Enkel de leeuwen leven in dit diepe, dichte, stille bos. En overal in dit rustige bos amuseren de leeuwen zich vrij. Alle dieren op de aarde en alle vogels in de lucht zijn ver weg gevlucht. Enkel de welpen lopen in het gevolg van de leeuw. Nauwelijks drie jaar oud kunnen ze al brullen. En zelfs als de jakhalzen deze leeuwen, de koningen van de dharma, willen imiteren, zullen ze niet kunnen verhinderen dat de tienduizend demonen hun muil vrij openen. Het waarachtige onderricht kan door het menselijk verstand niet gegrepen worden. Maar als je twijfels hebt, als je het niet begrijpt, kun je er gerust met mij over praten. Dit is geen opinie die voortkomt uit mijn dogmatisme. Ik hoop enkel dat onze beoefening niet vervalt in de twee extremen van ontkenning en bevestiging. Het negatieve is niet negatief, neen niet neen. Het positieve is niet positief, ja niet ja. Als we ons hierin een haarbreedte vergissen, raken we er duizend mijl van verwijderd. Wanneer het ja is, kan zelfs de dochter van de draak ogenblikkelijk Boeddha worden.[xxvii] Wanneer het nee is, kan zelfs de jonge monnik Zensho[xxviii] tijdens zijn leven in de hel vallen. Ikzelf heb sinds mijn jeugd kennis vergaard, de teksten en hun commentaren bestudeerd, ook de soetra’s. Ik heb nagedacht over namen en vormen, maar kende geen rust in die studies. Want het is al even vergeefs als in de oceaan willen springen om er de zandkorrels te tellen. De Boeddha verweet het me terecht, want, uiteindelijk, welk nut heeft het de schat van anderen te tellen? Nu zie ik goed dat, tot vandaag, ik, zwervende monnik, tevergeefs geoefend heb, en gedurende lange jaren op slechte wegen rondgedwaald heb. Doordat mijn natuur weinig verlicht is, heb ik me vergist en heb ik niets begrepen. Ik kon dan ook geen toegang krijgen tot het ware onderricht van de Boeddha. De hinayana is helemaal gewijd aan de Weg. maar de universele liefde blijft in gebreke. Intelligentie en kennis missen de diepe wijsheid.[xxix] Ze zijn dom en kinderachtig, degenen die in hun lege vuist of op het topje van hun vinger een valse realiteit scheppen. Ze bereiken niets omdat ze de vinger die naar de maan wijst voor de maan aanzien. Vrijwillig vermengen en verwarren ze de objectieve en subjectieve wereld. De mens die alle aspecten omhelst, is Boeddha. Hij kan dan werkelijk Kanjizai[xxx] genoemd worden. Wanneer de verlichting gerealiseerd wordt, wordt het oorspronkelijke karma leegte. Anders zouden we onze schulden moeten betalen. We hebben honger en zelfs aan een vorstelijke tafel eten we niet. We zijn ziek en zelfs als we de koning van de dokters tegenkomen, volgen we zijn remedie niet. Hoe zullen we dan kunnen genezen?   In de wereld van verlangens kunnen we de zen beoefenen door de macht van de wijsheid. Als de lotus uit het vuur groeit, kan hij nooit vernietigd worden. Yuse heeft één van de belangrijkste voorschriften overtreden, maar hij verkreeg nadien het satori van de niet-geboorte. Op dat moment werd hij Boeddha en nu bestaat hij nog.[xxxi] Het onderricht dat op het brullen van de leeuw lijkt, kent geen angst. Erbarmelijk, al deze domme en verwarde geesten!   Ze zien in dat de voorschriften breken een belemmering voor de verlichting is, maar ontdekken het geheim van de essentie van het onderricht van de Boeddha niet. Twee monniken overtraden het voorschrift van de kuisheid en begingen een misdaad. De leer van Upali deed hun wroeging enkel toenemen. Maar de grote Vimalakirti veegde hun twijfel ogenblikkelijk weg, zo snel als sneeuw en ijs smelten voor de zon.[xxxii] De mysterieuze kracht van de verlichting heeft prachtige effecten, zo talrijk als de zandkorrels van de Ganges. Waarom zouden we de moeite besparen haar de vier offerandes te doen? Tienduizend goudstukken zijn daarbij vergeleken niets.   Zelfs als we onze beenderen tot poeder zouden moeten malen of ons lichaam in stukken hakken, zou dat nog niet volstaan om haar te danken. Een enkel juist woord overstijgt tien miljard woorden. Hij is de koning van de dharma, hij is de hoogste. Alle boeddha’s, die zo talrijk zijn als de zandkorrels van de Ganges, getuigen ervan. Nu weet ik wat de mani-parel is, en al diegenen die het met vertrouwen ontvangen kunnen de koning van de dharma zijn. Er is niets te vinden in de wereld van satori, er is geen mens en zelfs geen boeddha. De ontelbare universa zelf zijn als luchtbellen in de oceaan. Alle wijzen en eerbiedwaardigen zijn als bliksems aan de hemel. Zelfs als een grote metalen cirkel[xxxiii]  boven mijn hoofd begint te draaien blijft de helderheid van de wijsheid van zazen er zijn. Zelfs als de zon verkilt of de maan opwarmt, blijft de ware leer, ondanks talrijke demonen, onvernietigbaar. De olifantenkoets gaat traag vooruit op de weg. Hoe zou de sprinkhaan zijn wielen de doortocht kunnen weigeren? De grote olifant speelt niet op het pad van de kleine konijnen. Een groot satori overstijgt de kleine eerbewijzen. Oordeel niet over de grootsheid van de blauwe hemel, als je er door een strohalm naar kijkt. Beste vriend, als je het nog niet begrijpt, zal ik je nu dieper versterken.  
[ii] Dharmakaya: ‘Het lichaam van de werkelijkheid’. De universele essentie die in alle verschijnselen gelijk is. [iii] Skandha’s: de vijf ‘groepen’ die volgens de analyse van de Boeddha onze persoonlijkheid opmaken: het lichaam, de gewaarwording, de waarneming, de hersenspinsels en intenties, en het bewustzijn. Er is in die vijf niets blijvends te vinden en er is ook geen eeuwig zelf achter die vijf groepen te vinden. [iv] ‘Drie vergiften’: begeerte, haat en onwetendheid. De drie oorzaken van het lijden. [v] De zes paden: volgens de Indische teksten de zes toestanden van wedergeboorte, in de zen doorgaans beschouwd als zes psychische toestanden die we van moment tot moment doormaken:      hel: acute pijn, conflict;     gaki: ‘de hongerige geest’ of frustratie, compensatiedriften;     dier: stompzinnige monotonie, leven in een schulp of een leven herleid tot basisdriften;     asura: ‘de strijdende goden’, de teostand van competitie of overdreven doelgerichtheid;     mensen: de wereld van het ego, opgebouwd uit oordelen en angsten voor oordelen;     deva: een extatische toestand, de roes van de gelukzlaigheid. [vi] Mani-parel: legendarische Chinese parel die alle verlangens van zijn bezitter verjaagt. Soms gebruikt als symbool voor het ontwaken of de Boeddhanatuur. [vii] Tathagata: Lett.: ‘de aldus-gegane’. Een aanspreektitel voor een Boeddha, die in de zoheid van de dingen leeft. [viii] Alayabewustzijn, of ‘opslagplaats’-bewustijn. Volgens een van de boeddhistische psychologieën (yogacara) een bewustzijn dieper dan het alledaagse, waarin alle zaden van het karma verzameld worden en zo het kader vormt voor een individueel bestaan. [ix] De zes zintuigen: de ogen, de oren, de neus, de tong, het lichaam en het bewustzijn. [x] De vijf visies: de verlichte visie (waarmee we onze eigen oorspronkelijke natuur zien); de visie van de waarheid; de visie van de wijsheid; de kosmische visie (het oog dat alles ziet) en de fysische visie. Ze staan voor vijf manieren om naar de wereld te beschouwen. [xi] De vijf machten: de macht van de Boeddha, geloof, inspanning, concentratie en wijsheid. Vijf deugden die van belang zijn om tot een diepe praktijk te komen. [xii] Zoon van Shakya: volgeling van Boeddha Shakyamuni. [xiii] De drie lichamen, de vier wijsheiden, de acht satori’s en de zes bovennatuurlijke krachten zijn klassieke onderverdelingen in het boeddhisme, die proberen om een zekere orde te scheppen in mogelijke manieren om het woord Boeddha, wijsheid, ontwaken en bijzonder effecten van de beoefening te gebruiken. Het hele gedicht van Yoka is erop gericht om komaf te maken met alle opdelingen en theorieën die kunnen ontaarden tot doctrines en ze terug te brengen tot de eigen beoefening hier en nu, waarin je jezelf compleet engageert, met huid en haar.    Voor wie geïnteresseerd is in welke woorden je hiervoor dus niet hoeft te kennen:    De drie lichamen de dharmakaya is het lichaam van de wet, de Boeddhanatuur, de nirmanakaya is het fysieke lichaam van de transformatie, de vorm van de wijsheid van Boeddha en de sambhogakaya is het lichaam van de vreugde, dat de resultaten van de beoefening opneemt.    De vier wijsheden: wijsheid van de grote ronde spiegel (de oorspronkelijke wijsheid van de Boeddha); de natuurlijke actieve wijsheid (het gebruik van de wijsheid van de Boeddha); natuurlijke universele, kosmische wijsheid, (de natuurlijke, niet-intellectuele wijsheid) en de wijsheid van de observatie.    De acht satori’s (Japans gedatsu), betekent in het Japans ‘ontsnappen uit de verlangens, ze opgeven’. In het Theravada-boeddhisme zijn er acht etappes van satori: de eerste drie hebben betrekking op de drie werelden: de wereld van de verlangens, de bonno’s (yokkai), de fysische wereld van de fenomenen (shikikai), de metafysische wereld (mushikikai). Yokkai, de wereld van de verlangens. [xvii] Olifant: symbool van de intellectuele leerling [xviii] Draak: symbool van de grote leerling [xix] Sokei was de berg waar Eno (Hui Neng), de zesde zenpatriarch, onderrichtte en Yoka de overdracht gaf [xx] Ninniku sen: ‘de hoogste volharding’. In dit gedicht verwijst Yoka met ‘mijn Meester’ naar Shakyamuni, de historische Boeddha. Shakyamuni werd door zeven Boeddha’s voorgegaan waaronder Nentobutsu, die in een vorig leven zijn meester was. Toen Boeddha de leerling van Nentobutsu werd, werd hij Ninniku Sen, de Boeddha van de volharding. [xxi] Voorschriften. (Skt. Sila; Jap. Kai). De vijf kai van de leek zijn: niet doden, niet stelen, geen overspel plegen, geen grove, leugenachtige of nutteloze taal gebruiken, de geest niet intoxiceren. De bodhisattva’s hebben daar nog vijf voorschriften bij: geen kwaad spreken, niet verwaand zijn, niet gierig zijn, niet boos zijn, geen kwaad spreken over de Boeddha, de dharma en de sangha. Monniken hebben 250 kai te respecteren en nonnen 328. [xxii] ‘De kom van de monnik om de draak te roepen’ verwijst naar een Chinees verhaal: Erg lang geleden heerste in China een pijnlijke en lange droogte. De mensen stonden machteloos bij de uitgedroogde rijstvelden, en leden honger. Men liet een tovenaar-monnik komen, Meester Shoko, opdat hij zijn machten zou gebruiken tegen de boosaardige draak die de regen tegenhield. Door smeekbedes liet Shoko de koning van de draken komen, en dan alle hemeldraken. Hij sloot ze allemaal op in zijn kom en de regen begon overvloedig te vallen. De betekenis van dit verhaal herinnert eraan dat de kom van de monnik een magische kracht heeft die de rede overstijgt. [xxiii] ‘De staf van de monnik’ verwijst naar de legende van Meester Chu ,die tijdens een reis door China in de bergen twee tijgers tegenkwam die als razenden met elkaar vochten. Hij stak zijn stok met klinkende ringen tussen de twee vechtende tijgers en het gevecht hield meteen op. Deze stok symboliseert de kracht van deBoeddha, de essentie van de zen. [xxiv] Maka Hannya (Skt: Mahaprajna): de Grote Wijsheid. [xxv] Mahakashyapa: De eerste opvolger van Boeddha Shakyamuni [xxvi] Bodhidharma, de achtentwintigste patriarch stichtte de zen in China. [xxvii] De dochter van de draak: een personage uit de Lotussoetra. Toen Manjusri in het paleis van de draak een toespraak hield, hoorde de dochter van de draak hem en bereikte ze het Boeddhaschap [xxviii] Zensho: personage uit de Lotussoetra. Hij was een monnik en ontving het onderricht van de Boeddha, maar hij begon te twijfelen en viel in de hel. [xxix] Hinayana: Rond het begin van de jaartelling splitste de boeddhistsiche beweging in twee: de mahayanaschool (school van het grote voertuig) scheurde zich af van volgens hen al te scholastische orthodoxie die ze dan het kleine voertuig noemde (hinayana). De zen is één van de scholen die uit de mahayana voortvloeide. De mahayana stelt de bevrijding van alle wezens centraal. [xxx] Kanjizai: Chinese vertaling van de bodhisattva van het mededogen Avalokitesvara. Kan  betekent ‘zien’, jizai betekent ‘echte vrijheid’. [xxxi] Yuse is een figuur uit de Karmasoetra. Hij doodde de man van zijn geheime minares, maar werd door wroeging overmand. De Boeddha verloste hem door het niet-bestaan van de verschijnselen van het bewustzijn aan te tonen. [xxxii] Verwijzing naar een scène uit de Vimalakirtisoetra, waarin de twee monniken te biechten gingen bij Upali, de leerling van Boeddha die verantwoordelijk was voor geschillen over de morele regels. Upali sprak hen streng toe, maar de lekenbodhisattva Vimalakirti kon de twee bevrijden door het uiteindelijke niet-bestaan van goed en kwaad aan te tonen. [xxxiii] Symbool voor mentale verwikkelingen pf iets van buitenaf dat zwaar op je bewustzijn werkt.

Fukanzazengi – Universele aanwijzingen voor zazen

7 januari 2009

Eihei Dogen (1200-1253)

Inleiding De Fukanzazengi is één van de meest gekoesterde teksten in de soto-zen. Dogen, die de soto-zen vanuit China in Japan invoerde, schreef deze kleine tekst om de puntjes op de i te zetten, omdat over zazen zoveel misverstanden bestonden, net zoals dat vandaag het geval is. Hij schreef zijn eerste versie op 27-jarige leeftijd, net nadat hij de overdracht gekregen had, maar bleef de tekst zijn verdere leven verbeteren en aanpassen. Net zoals elk boeddhistisch onderricht is Fukanzazengi gericht tot tijdgenoten en behandelt hij een aantal specifieke misvattingen en moeilijkheden uit de tijd waarin hij geschreven is: de woelige dertiende eeuw in Japan. Maar net als alle heel grote teksten overstijgt hij ook zijn context en spreekt hij ons nog verrassend fris en rechtstreeks aan. In de dojo wordt op dit moment gewerkt aan een publicatie waarin deze waardevolle tekst in zijn en in onze context geplaatst wordt. Work in progress… Tekst De weg is fundamenteel volmaakt en vervult alles. Waarom maken we dan onderscheid tussen beoefening en verwezenlijking? Het voertuig van de dharma beweegt zich vrij en onbelemmerd. Waartoe dient dan menselijke inspanning? De Boeddhanatuur overstijgt zonder twijfel alle stof van de wereld. Wie gelooft dan dat er een middel bestaat om hem schoon te poetsen? Hij is nooit verwijderd van de plaats waar je je nu bevindt. Wat heeft het dan voor zin om naar allerlei plaatsen te gaan om hem te beoefenen? Maar bij het allerkleinste onderscheid zal de weg even ver van ons verwijderd zijn als de hemel van de aarde. Bij de geringste neiging tot voorkeur of afkeer zal de geest zich verliezen in verwarring. Stel dat je trots wordt op je door oefening verworven inzichten, daarmee verlaag je je eigen verlichte staat omdat je slechts een fractie ziet van de wijsheid waarvan alles is doordrongen. Je vergist je als je denkt de hemel te kunnen bestormen. Je maakt pas de eerste stappen over de grenzen, maar schiet nog tekort wat betreft de belangrijkste weg van de volledige bevrijding. Moet ik hier nu echt opnieuw spreken over de Boeddha, die een aangeboren inzicht had. De invloed van zijn zes jaar mediteren strekt zich tot dit moment uit. Of moet ik je aan Bodhidharma’s overdracht van de geestzegel herinneren? De faam van zijn negenjarige zitten wordt tot op heden herdacht. En omdat het met alle patriarchen en wijzen zo verging, is het onbegrijpelijk dat mensen van deze tijd zich onttrekken aan het volgen van de weg. Daarom zouden we moeten stoppen met een praktijk gebaseerd op verstandelijk inzicht, het bestuderen van woorden en het naleven van wijze spreuken, om een stap terug te kunnen doen en onze blik naar binnen te richten en zo ons zelf te verlichten. Als je de realiteit zoals ze is wilt bereiken, dien je de realiteit zoals ze is te beoefenen. Voor zazen is een rustige kamer nodig. Eet en drink matig. Zet alle zorgen opzij en stop met alle activiteiten. Denk niet in termen van goed en kwaad. Laat je niet leiden door voorkeur en afkeer. Stop alle beweging van het bewustzijn en het oordelen over opkomende gedachten en gevoelens. Maak je geen illusies een Boeddha te worden. Verder heeft zazen niets van doen met zitten of liggen. Op de vloer van de plek waar je regelmatig zazen beoefent, leg je een dikke mat neer, waarop een kussen wordt geplaatst. Zit in de halve lotus- of volledige lotushouding. In de volledige lotushouding leg je eerst de rechtervoet op het linker dijbeen en daarna de linkervoet op het rechter dijbeen. In de halve lotushouding leg je de linkervoet gewoon op het rechter dijbeen en rust de rechtervoet op de grond. Je kleding en je riem dienen ruim te zitten en net te zijn. Leg daarna de rechterhand op de linkervoet en de linkerhand in de naar boven gekeerde handpalm van de rechterhand, terwijl de duimtoppen elkaar lichtjes raken. Ga dan recht zitten in een correcte lichaamshouding, waarbij je noch naar links of rechts, noch naar voren of naar achteren helt. Verzeker jezelf ervan dat je oren zich op één vlak met de schouders bevinden en dat de neus op dezelfde verticale lijn ligt als de navel. Plaats de tong tegen de voorkant van het gehemelte, terwijl je tanden en lippen beide op elkaar houdt. De ogen moeten altijd open blijven en je dient lichtjes door de neus te ademen. Als je deze houding hebt aangenomen, haal enkele keren diep adem, adem in en adem uit, beweeg je lichaam naar links en naar rechts en zet jezelf in een stevige, roerloze positie. Denk aan niet-denken. Hoe denk je aan niet-denken? Door voorbij het denken en het niet-denken te denken. De zazen waarover ik spreek is geen methode om te leren mediteren. Het is simpelweg de Dharmapoort naar kalmte en geluk, de beoefeningrealisatie [link shusho] van totale en opperste verlichting. Het is de openbaring van de uiteindelijke werkelijkheid. Het ligt buiten het bereik van de honderdduizend trucs van het ego. Als eenmaal de pointe ervan begrepen is, zul je zijn als de draak die in het water gaat, als de tijger die de berg beklimt. Want je dient te beseffen dat de juiste Dharma zich precies in zazen zelf manifesteert en dat vanaf het begin onwetendheid en verstrooidheid verdreven zullen worden. Als je na het zitten opstaat, doe dat dan met langzame en rustige bewegingen. Doe het kalm en bedachtzaam. Kom niet plotseling snel omhoog. Als we het verleden onderzoeken, zien we dat het overstijgen van zowel niet-verlichting als verlichting, zittend en staan sterven helemaal en volledig afhangt van de kracht van zazen. Men kan verlicht geraken in situaties met een vinger, een vlag, een naald of een houten hamer. Verwerkelijking kan ook tot stand komen met behulp van een vliegenmepper, een vuistslag, een staf of een schreeuw. Het kan niet ten volle worden begrepen door het onderscheidende denken van de mens. Het kan ook niet gekend worden door de beoefening of verwerkelijking van bovennatuurlijke krachten. Het is een toestand die aan het horen en zien van de mens voorbijgaat; het is de toestand die ook voorafgaat aan alle kennis en waarnemingen. Omdat dit zo is, maakt intelligentie of gebrek eraan niets uit. Tussen het domme en het knappe bestaat geen onderscheid. Als je je kracht met heel je wezen concentreert, is dat uit zichzelf al het gaan van de weg. Beoefeningrealisatie is van nature onbesmet en zuiver. Doorgaan met oefenen is een kwestie van alledaagsheid. In het algemeen wordt zowel in deze als in andere werelden het zegel van de Boeddha gehandhaafd, maar bovenal prevaleert de stijl van onze school, omdat ze uitsluitend gewijd is aan zazen, totaal betrokken is op het roerloze zitten. Hoewel men zegt dat er evenveel geesten als mensen bestaan, volgen ze allemaal de weg, alleen door zazen te beoefenen. Waarom zou je de stoel in je eigen huis verlaten en zonder duidelijk doel op zoek gaan naar stoffige rijken in andere landen? Eén misstap en je bent van de weg, die hier en nu voor je open ligt, afgedwaald. Je verkeert in de unieke omstandigheid een menselijk lichaam te bezitten. Gebruik je tijd niet nutteloos. Jij kunt het grootse werk van de Boeddha voortzetten. Wie zou volledig kunnen genieten van de vonk van een vuursteen? Daarnaast zijn de vorm en het wezen als dauw op het gras; de menselijke bestemming is als een bliksemschicht, in één tel verschenen en verdwenen, kortstondig als een knippen van je vingers. Luister alsjeblieft, eerzame volgeling van zen: als je gewend bent de olifant te betasten, hoef je de ware draak niet te wantrouwen. Gebruik je energie voor een methode die direct naar het absolute wijst. Eerbiedig de mens die het volledig heeft verworven, die boven alle menselijke handelen is verheven. Vereenzelvig jezelf met de verlichting van de Boeddha’s; volg de eerlijk verkregen erfenis van het samadhi van de patriarchen. Handel steeds op deze wijze en je kunt er zeker van zijn dat je net als hen zult worden. Je schatkamer zal zich vanzelf openen en je zult er gebruik van kunnen maken wanneer je maar wenst.
Met deze vragen drukt Dogen een verwarring uit die de toenmalige boeddhistische middens kwelde. Aan de ene kant werd gesteld dat iedereen van nature een Boeddha was, maar aan de andere kant was de beoefening in kloosters heel veeleisend. Stilaan groeide dan ook het idee dat al die lastige dingen als meditatie eigenlijk niet nodig waren en dat ze enkel maar moesten geloven in de Boeddhanatuur. Dat leidde tot allerlei wantoestanden, waarin de slagzin ‘uiteindelijk is alles toch de verlichte toestand’ als excuus gebruikt werd om zich van niets nog iets aan te trekken – een redenering die vandaag ook weer populair wordt. Dogen verzette zich sterk tegen deze denkwijze en gaf zijn hele leven aan de heropleving van een actief ontwaken, met een actieve inspanning om zowel inwendig als uitwendig de wereld van lijden te bevrijden. Een eerste antwoord van Dogen. We kunnen nog zoveel lopen roepen dat we allemaal Boeddha zijn, maar in ons concrete gedrag tonen we ons verward en in de greep van voorkeuren en afkerigheden die onze blik op de wereld en op onszelf vertroebelen. Onze eventuele inzichten worden pedanterieën waarmee we onze omgeving teisteren, en waarmee we onszelf nog wat meer in blinde egopatronen jagen. Met bevrijding heeft dit allemaal niets te maken. Volgens één van de traditionele vertellingen over het leven van de Boeddha, zat hij na zijn ontwaken zes jaar in zazen. Bodhidharma, de halflegendarische stichter van de zen in China, werd in het begin niet begrepen door de Chinezen en trok dan maar een grot in om daar negen jaar lang zazen te doen. Of deze legendes nu kloppen of niet, het punt is dat de zazenbeoefening niet iets is dat je een tijdlang doet om later verlicht te worden en er daarna mee op te houden. Heel wat monniken dachten (en denken soms nu nog) dat zazen een soort van dril voor beginners is en dat je nadien enkel nog wat ceremonieën moest doen om je job te behouden. Dogen zal proberen om in de Fukanzazengi de juiste plaats en praktijk van zazen te duiden – een werk dat in de dojo voortdurend opnieuw verfrist moet worden. De realiteit zoals ze is, de ‘zoheid’ (tathata, Jap. inmo) is de inhoud van het ontwaken, de ervaring van de wereld als we de sluier van ons grijpen, afwijzen en vastleggen afwerpen. Voor Dogen is dit geen eenmalige gebeurtenis of mystieke contemplatie, maar een actief gebeuren dat op elk moment belichaamd moet worden in elk gebaar, elke gedachte en elk woord. Zo straalt de Boeddha open en vrij in ons concrete leven, in plaats van in onze meningen of in korte momenten van gelukzaligheid. Hoewel dit misschien allemaal vormelijke aanwijzingen lijken, toont de nauwgezetheid van Dogen hier dat we zen kunnen beoefenen in elk aspect van ons leven. Door zorg te dragen voor zelfs de manier waarop we onze kleren dragen, en de precieze manier van zitten, wordt onze geest en ons lichaam gevuld met een scherpe aandacht voor het allerkleinste. Natuurlijk is deze (halve) lotushouding niet voor iedereen even gemakkelijk of zelfs mogelijk. Toch is het heel goed om de houding, met alle beperkingen van je lichaam, zo dicht mogelijk te benaderen (zelfs al lijkt het er in de verste verte nog niet op). Met een degelijke lichamelijke investering vermijd je dat je zazen een dromerij of mentale trip wordt. In zazen ben je betrokken met elke pees, elke porie. Je gedachten laat je als nevelslierten voorbijtrekken, verwacht daar maar niet te veel van. Dit is een hele mond vol en een simpele voetnoot is niet de plek om hier helemaal op in te gaan. De eerste zin is wellicht nog de belangrijkste, want de meest verrassende: zazen is geen manier om te leren mediteren. In zazen leer je niets. Je bent niet in dit moment, je bent dit moment, het heelal zoals het zich hier en nu manifesteert, met alles erop en eraan. Nadenken en manipulaties zullen je hier niet helpen. Als je echt met huid en haar in zazen zit, valt alles op zijn plaats, ben je in je element (zoals de draak en de tijger), zelfs als je knieën pijn doen, zelfs als je dingen ziet opduiken die je helemaal niet leuk vindt, zelfs als je merkt dat er stormen opkomen of periodes van verveling passeren. Niet suffen op je kussen en geen dingen mentaal proberen oplossen – en toch er helemaal bij zijn. Dat is zazen. Zazen is geen zitbatterij om je op te laden en nadien weer je gangen te gaan. Zazen zou ons moeten bezielen in ons hele leven, in elk gedrag. Dus waarom niet beginnen met aandachtig en met zorg recht te komen? In de dojo barst na zazen soms een donderwolk van snuiten, hoesten, kreunen of al dan niet verbale dramatiek op. De verwarring neemt het weer meteen over. Als we aandachtig rechtkomen, met zorg om de rust voor onze omgeving, lanceren we ons alvast met meer actief mededogen en wijsheid in ons dagelijkse leven. In boeddhistische kringen werd zazen vaak aanzien als een van de mogelijke trainingen die je kunt opnemen. Andere waren dan ethische voorschriften, ceremonieën of studie. Soms kon een monnik zelfs enkel maar fondsen werven als beoefening. Dogen drukt er hier nog eens op dat voor hem de praktijk van een boeddhist niet los te koppelen is van zazen. En dit is meteen de andere kant van de medaille. Als we regelmatig en doorgedreven zazen beoefenen, kunnen alle aspecten waarmee we in contact komen in de rest van de dag ons tot ontwaken brengen. Niet omdat je loopt na te denken of omdat je plots diepe, esoterische verbanden ziet, niet omdat er wit licht schijnt of omdat je de schoonheid van de wereld aanschouwt – maar omdat je zoals in zazen plots zo hier en nu, zo totaal dit doet, dit bent, dat je hele bestaan een kracht en een vrijheid krijgt die niet te bevatten of te beschrijven is. En dit is iets heel gewoons. De stoffige rijken in andere landen verwijst naar een verhaal uit de Lotussoetra over een zoon van een rijke handelaar die zijn vader verlaten had en zo diep aan de grond raakte dat hij zijn afkomst vergeten was. De vader nam hem weer in huis, maar de zoon was bang van het grote huis. Pas na een hele tijd kon de jongen zich weer herinneren dat dit inderdaad zijn huis was. Net zoals we in zazen soms met een schok het gevoel kunnen hebben van eindelijk weer thuis te zijn bij onszelf… ‘waar ben ik al die tijd toch geweest?’ De paradox is dat we om dit echt te kunnen beleven inderdaad heel regelmatig ons huis dienen te verlaten om in de dojo of op stages bij een degelijke leraar zazen te beoefenen. We kunnen hier heel lang over spreken of kort. Laten we voor kort gaan: Welke zen wil je? Die van de auto- of yoghurtreclame? Of die van je eigen Boeddhanatuur? De keuze is aan jou. De olifant verwijst naar een verhaal over een aantal blinde mannen die een olifant betasten en over het wezen van een olifant spreken. Volgens de één is een olifant een dun dingetje met een pluim op het eind (hij heeft de staart vast), volgens een ander een soort van boomstam (de poot) en volgens een derde een soort van groot blad (oor). Dit staat voor filosofen die vanuit hun mentale iets kijk over ‘de zen’ willen zeggen. Er zijn veel van dergelijke boeken en meestal duurt het maar één bladzijde (of één minuut op Youtube) om te weten of ze spreken vanuit hun lichaam of vanuit hun leeskennis. De draak verwijst naar het verhaal van iemand die alles over draken verzamelde en er alles over wist. Op een dag hoort een echte draak over deze man en besluit hem om te zoeken. Hij steekt zijn kop door het venster om de drakenvriend te begroeten, die meteen gillend zijn huis uitrent en wegvlucht. Er zijn veel drakenvrienden, mensen die graag ‘zen’ zouden zijn of er veel over weten. En ja, ze vluchten allemaal snel uit de dojo. Zazen is, zoals de titel van de Fukanzazengi zegt, werkelijk voor iedereen – voor iedereen die zazen doet en blijft doen, voor wie het lef heeft om te zitten en te zien wat er gebeurt als je ophoudt te reageren, je opent voor wat zich aandient in deze stilte en dat observeert. Een schitterend landschap. De schatkamer van je Boeddhanatuur. Noten: Tom Shoden Hannes

Commentaren

1 januari 2009

Kleine encyclopedie

1 januari 2009
Klikken aub.